Thesis Tom Van Hoey

adminVisieteksten door Poco Loco medewerkers

Poco Loco: een aanloophuis – Kwalitatieve interviews met bezoekers
Tom Van Hoey, licentiaat in de pedagogische wetenschappen, optie orthopedagogiek, gaat in deze scriptie op zoek naar wat een aanloophuis is door de ogen van de bezoekers. Dit onderzoek wordt gestaafd met bijzondere achtergrondkennis.
… Tijdens mijn studie, ging mijn interesse vaak uit naar praktijkinitiatieven die ondersteuning bieden aan mensen in de samenleving. Meningen en belevingen van ervaringsdeskundigen boeien me ook enorm. Daarom wou ik voor mijn scriptie graag een onderzoek doen, dat nauw aansluit bij de praktijk en bij ervaringen van mensen. Daarbij was een thema waar we nog weinig met te maken kregen tijdens onze opleiding, een bijkomende must. Via omwegen en toevalligheden, kwam ik bij aanloophuis Poco Loco terecht.

 


Klik hier voor de pdf-versie

 

 

FACULTEIT

PSYCHOLOGIE EN PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Poco Loco: een aanloophuis

Kwalitatieve interviews met bezoekers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tom VAN HOEY

“Scriptie ingediend tot het behalen van de graad van

licentiaat in de pedagogische wetenschappen, optie orthopedagogiek”

 

Academiejaar 2005-2006

 

 

 

 

 

 

 

Promotor: Prof. dr. Geert Van Hove


Woord Vooraf

 

Tijdens mijn studie, ging mijn interesse vaak uit naar praktijkinitiatieven die ondersteuning bieden aan mensen in de samenleving. Meningen en belevingen van ervaringsdeskundigen boeien me ook enorm. Daarom wou ik voor mijn scriptie graag een onderzoek doen, dat nauw aansluit bij de praktijk en bij ervaringen van mensen. Daarbij was een thema waar we nog weinig met te maken kregen tijdens onze opleiding, een bijkomende must. Via omwegen en toevalligheden, kwam ik bij aanloophuis Poco Loco terecht.

 

Ik werkte graag aan deze scriptie en heb er veel uit geleerd. Het kostte veel moeite en ik heb er wel eens op gevloekt. Maar ik stond niet alleen en geef daarom een aantal mensen een dikke pluim.

 

Eerst en vooral bedank ik Poco Loco, zijn bezoekers en in het bijzonder de mensen die deelnamen aan het onderzoek. Jullie aanloophuis was voor mij niet enkel een onderzoeksplaats, maar bovenal een plezante omgeving om te vertoeven. Ik heb enorm veel van jullie geleerd en spring zeker nog eens binnen.

 

Bedankt professor Van Hove, dat ik mijn ‘ding’ mocht doen. Je verstond waar ik naar toe wou en gaf me nuttige tips.

Griet, het was fijn op jou te kunnen rekenen. Nalezen van teksten, uitwisselen van literatuur en ervaringen; voor alles merci.

Etienne, bedankt voor de schrijfstijladviezen en taaltips. Ik heb er veel aan gehad.

 

Moe en va, jullie zoon gaat afstuderen en dit lukte niet zonder jullie. Oneindig veel dank.

 

Katrien, mijn dagelijkse steun en toeverlaat, merci voor alles wat je voor me doet.

 

 

Voor het citeren van en refereren naar bronnen volgen we de APA normen.

 

 

 

 

 


Inhoudsopgave TOC \o “1-4” \h \z \u

Inleiding. PAGEREF _Toc135552579 \h 5 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500370039000000

 

1    Theoretische inleiding. PAGEREF _Toc135552580 \h 7 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380030000000

1.1    Rehabilitatie. PAGEREF _Toc135552581 \h 7 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380031000000

1.2    Recovery. PAGEREF _Toc135552582 \h 8 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380032000000

1.3    Empowerment PAGEREF _Toc135552583 \h 10 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380033000000

1.4    Vermaatschappelijking. PAGEREF _Toc135552584 \h 12 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380034000000

1.5    Aanloophuis. PAGEREF _Toc135552585 \h 15 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380035000000

1.5.1    Definities. PAGEREF _Toc135552586 \h 15 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380036000000

1.5.2    Functies. PAGEREF _Toc135552587 \h 16 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380037000000

1.5.3    Overzicht onderzoek in drop-in centers. PAGEREF _Toc135552588 \h 17 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380038000000

 

2    Methodologie. PAGEREF _Toc135552589 \h 18 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500380039000000

2.1    Onderzoeksvragen. PAGEREF _Toc135552590 \h 18 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390030000000

2.2    Concrete context onderzoek. PAGEREF _Toc135552591 \h 18 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390031000000

2.2.1    Poco Loco. PAGEREF _Toc135552592 \h 19 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390032000000

a)   Ontstaan. PAGEREF _Toc135552593 \h 19 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390033000000

b)   Organisatie. PAGEREF _Toc135552594 \h 20 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390034000000

2.2.2    Soortgelijke organisaties. PAGEREF _Toc135552595 \h 21 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390035000000

2.2.3    Doelgroep Poco Loco. PAGEREF _Toc135552596 \h 21 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390036000000

2.3    Participerende observatie ….. PAGEREF _Toc135552597 \h 22 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390037000000

2.4    Kwalitatieve interviews. PAGEREF _Toc135552598 \h 23 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390038000000

2.4.1    Epistemologie van het onderzoek. PAGEREF _Toc135552599 \h 23 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003500390039000000

2.4.2    Uitwerking methodologie. PAGEREF _Toc135552600 \h 24 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300030000000

a)   Interview.. PAGEREF _Toc135552601 \h 24 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300031000000

b)   Bekendmaking en verzamelen van respondenten. PAGEREF _Toc135552602 \h 25 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300032000000

c)   Plaats interview.. PAGEREF _Toc135552603 \h 25 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300033000000

d)   Verloop interview.. PAGEREF _Toc135552604 \h 25 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300034000000

e)   Moeilijkheden interviews. PAGEREF _Toc135552605 \h 26 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300035000000

 

3    Verwerking interviews. PAGEREF _Toc135552606 \h 27 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300036000000

3.1    Waarom Poco Loco. PAGEREF _Toc135552607 \h 27 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300037000000

3.2    Betekenis van een aanloophuis. PAGEREF _Toc135552608 \h 31 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300038000000

3.3    Beeldvorming over Poco Loco. PAGEREF _Toc135552609 \h 34 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600300039000000

3.4    Activiteiten. PAGEREF _Toc135552610 \h 36 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310030000000

3.5    Professionelen ….. PAGEREF _Toc135552611 \h 39 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310031000000

3.6    Vriendschap ….. PAGEREF _Toc135552612 \h 40 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310032000000

3.7    Gastvrijheid ….. PAGEREF _Toc135552613 \h 42 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310033000000

3.8    Andere initiatieven ….. PAGEREF _Toc135552614 \h 43 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310034000000


4    Discussie. PAGEREF _Toc135552615 \h 45 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310035000000

4.1    Discussie onderzoek. PAGEREF _Toc135552616 \h 45 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310036000000

a)   Waarom Poco Loco. PAGEREF _Toc135552617 \h 45 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310037000000

b)   Betekenis van een aanloophuis. PAGEREF _Toc135552618 \h 46 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310038000000

c)   Beeldvorming over Poco Loco. PAGEREF _Toc135552619 \h 47 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600310039000000

d)   Activiteiten. PAGEREF _Toc135552620 \h 47 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320030000000

e)   Professionelen. PAGEREF _Toc135552621 \h 48 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320031000000

f)    Vriendschap. PAGEREF _Toc135552622 \h 50 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320032000000

g)   Gastvrijheid. PAGEREF _Toc135552623 \h 51 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320033000000

h)   Andere initiatieven. PAGEREF _Toc135552624 \h 52 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320034000000

4.2    Beperkingen onderzoek. PAGEREF _Toc135552625 \h 52 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320035000000

 

5    Conclusie. PAGEREF _Toc135552626 \h 53 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320036000000

5.1    Terugkoppeling naar theorie. PAGEREF _Toc135552627 \h 53 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320037000000

5.2    Antwoord op de onderzoeksvragen en conclusies onderzoek. PAGEREF _Toc135552628 \h 54 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320038000000

 

6    Referenties. PAGEREF _Toc135552629 \h 56 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600320039000000

 

Bijlagen. PAGEREF _Toc135552630 \h 65 08D0C9EA79F9BACE118C8200AA004BA90B02000000080000000E0000005F0054006F0063003100330035003500350032003600330030000000


Inleiding

De laatste decennia worden steeds meer initiatieven opgezet en pogingen ondernomen, om mensen die moeilijk aansluiting vinden bij de maatschappij, te ondersteunen in hun deelname aan de samenleving. Het gaat om mensen die eenzaam zijn, werkloos zijn, mensen met een beperking, mensen met psychische problemen, mensen uit andere culturen, enz.

 

We zoomen in op een aanloophuis, dat vooral door mensen met psychische problemen of een psychiatrische achtergrond wordt bezocht . Maar we houden ook rekening met andere mensen, omdat de initiatieven die we bespreken en onderzoeken, toegankelijk zijn voor iedereen. De focus ligt echter op mensen die het moeilijk hebben en in het bijzonder mensen met een psychiatrische achtergrond.

 

De internationale literatuur benoemt mensen met een psychiatrische achtergrond op verschillende manieren. McLean (1995) spreekt over het bestaan van diverse termen, zoals ‘consumers’, ‘(ex-) patients’ en ‘survivors’. Beresford (2001) gebruikt de termen ‘service users’ en ‘psychiatric system survivors’ (Beresford, 2000; Beresford & Wilson, 2002). Vlaanderen en Nederland gebruiken onder andere: ‘mensen met een psychiatrische achtergrond’ (Kal, 2002), ‘mensen met psychische problemen’ (Roets et al., 2005), ‘personen met een ernstige en langdurige psychische problematiek’ (De Rick et al., 2003) en ‘mensen met psychische handicaps’ (Van Hoof et al., 2004). Achter iedere term zit een specifieke betekenis, waar we hier niet op ingaan.

In deze scriptie gebruiken we de termen ‘mensen met een psychiatrische achtergrond’ of ‘mensen met psychische problemen’. Bij het bespreken van andere onderzoeken, respecteren we de gebruikte terminologie. Wanneer we het hebben over mensen die naar een aanloophuis gaan, gebruiken we vooral de term ‘bezoeker’, omdat de doelgroep van een aanloophuis ruimer is.

 

In de jaren vijftig en zestig ontstond in de meeste westerse landen kritiek op het functioneren van psychiatrische inrichtingen. Steeds duidelijker werd dat een langdurig verblijf in zo’n grootschalig en maatschappelijk geïsoleerd instituut schadelijke gevolgen voor mensen kan hebben (Zeldenrust & Van Zuthem, 1996).

In de jaren zeventig kwamen cliëntenbewegingen op voor de burgerrechten van ‘patiënten’ en vanaf de jaren tachtig voor het verbeteren van de hulpverlening. Aan het eind van de jaren negentig leggen ze meer de nadruk op het versterken van de eigen inbreng en het vergroten van de mogelijkheden van cliëntenorganisaties. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door ‘ervaringsdeskundigheid’ (Van Haaster et al., 1999, p 788) en de nadruk komt te liggen op een recovery georiënteerd systeem (Anthony, 1993).

Stilaan verschuift de tendens van institutionalisering naar de-institutionalisering en vermaatschappelijking. Dit proces verloopt niet zonder slag of stoot en is nog volop aan de gang (Nelson et al., 2001).

 

In dit proces is de macht nog steeds ongelijk verdeeld. Mensen die vroeger buiten de samenleving stonden, krijgen nu meer en meer de kans zich in de maatschappij te mengen. Maar wanneer mensen hun ‘gedrag’ te hard botst met de maatschappelijke normen, zijn middeleeuwse praktijken, zoals opsluiting, niet veraf. Denk maar aan de intenties tot uitbreiding van gesloten centra voor minderjarige delinquenten (waar België trouwens voor veroordeeld werd) en talloze collocaties, die nog steeds dagelijkse realiteit zijn. Inzichten en illustraties van evoluties in ‘de psychiatrie’, worden sterk beschreven door Foucault (1961 & 1972) in “Histoire de la folie à l’âge classique”.

 

Mensen met psychische problemen willen, net als anderen, een sociaal en maatschappelijk leven. Men wil anderen ontmoeten en zinvolle bezigheden hebben. Een mogelijke manier om in deze participatiewensen te voorzien, is door plekken te creëren waar men op eigen voorwaarden en conform eigen mogelijkheden aan de samenleving kan deelnemen. Zo’n plekken kunnen specifiek zijn voor mensen die moeilijk aansluiting vinden bij de maatschappij. Uit onderzoeken van de laatste jaren bij langdurige GGZ-gebruikers komt naar voor dat er grote (onvervulde) behoefte is aan onder andere ontmoetingsmogelijkheden, vriendschappelijke contacten en zinvolle bezigheden (Van Hoof et al., 2004).

Uit kritieken en nieuwe inzichten groeiden nieuwe alternatieven die zich toespitsen op ontmoeting, dagbesteding, werk, enz.

 

In deze scriptie gaan we dieper in op een specifiek alternatief, namelijk een aanloophuis of drop-in center. Onze eerste onderzoeksvraag is hoe mensen het bezoeken van een aanloophuis ervaren; de tweede is welke betekenis ze aan een aanloophuis geven. Om dit te onderzoeken, laten we bezoekers zelf aan het woord.

 

In de theoretische inleiding werken we eerst een aantal begrippen uit, die ons moeten helpen een aanloophuis te kaderen en te begrijpen. We starten met de rehabilitatie en de recovery gedachte, die aantonen hoe we kijken naar en denken over mensen die het moeilijk hebben.

Daarna bespreken we empowerment, dat onlosmakelijk samenhangt met de manier van werken in een aanloophuis.

Vermaatschappelijking komt aan bod, om een aanloophuis breder maatschappelijk te kaderen en aan te tonen dat een aanloophuis past binnen het proces van vermaatschappelijking.

Tenslotte beschrijven we wat een aanloophuis is, welke de mogelijke functies zijn en geven we een kort overzicht van verschillende onderzoeken.

 

Bij de methodologie geven we eerst de onderzoeksvragen. Dan bespreken we de context van het onderzoek, waarbij Poco Loco – het aanloophuis waar we ons onderzoek deden -, enkele aanverwante initiatieven en de doelgroep van Poco Loco besproken worden.

Na het kaderen van de voorbereidende bezoeken, wordt het onderzoek (kwalitatieve interviews) uitgelegd. We starten met de epistemologie en daarna klaren we de methodologie uit.

 

In de verwerking van de resultaten zijn de antwoorden op de interviews verwerkt in verschillende thema’s. Na selectie, trachten we voldoende materiaal uit de interviews over te houden, om een breed beeld te geven van de resultaten van de interviews.

 

In de discussie worden de verschillende thema’s uit de verwerking van de resultaten als leidraad gebruikt, om de discussie te voeren. De beperkingen van het onderzoek komen ook aan bod.

 

We sluiten af met een conclusie, waar we een synthese maken en een antwoord proberen te geven op de onderzoeksvragen.


1        Theoretische inleiding

De theoretische inleiding bouwen we op met de belangrijkste begrippen die verband houden met ons onderzoek. Rehabilitatie, recovery, empowerment, vermaatschappelijking en een aanloophuis komen achtereenvolgens aan bod.

 

 

1.1      Rehabilitatie

Rehabilitatie is langs verschillende wegen tot stand gekomen en kent vele ladingen (Dröes & Van Weeghel, 1994). Het betekent letterlijk eerherstel en staat voor het creëren van mogelijkheden voor de chronische psychiatrische patiënt, om van patiënt burger te worden (Kal, 2002).

 

Bij Van Audenhove (1996: in Mertens, 2004) staat in het rehabilitatiemodel ‘care’ of het zorgen centraal en niet ‘cure’ of genezen. De centrale doelstelling in dit model is het leren leven met beperkingen (Van Weeghel en Dröes, 1999) en in die zin staat het haaks op een medisch model, waarin een behandeling of het genezen van symptomen centraal staat (Mertens, 2004).

 

Volgens Dröes & Van Weeghel (1994) zijn er drie benaderingen van rehabilitatie. Ten eerste de probleemgerichte benadering, waar de klacht of het probleem centraal staat en de rol van de cliënt die is van patiënt. Ten tweede de ontwikkelingsgerichte benadering, waar de wens of behoefte van de cliënt het uitgangspunt is en de rol van de cliënt te karakteriseren is als deelnemer in een proces. Ten slotte de milieubenadering, die gericht is op de integratie van de cliënt in een (sociale) omgeving en waar de cliënt participeert vanuit de rollen die hij in de omgeving vervult. Deze benaderingen kunnen alledrie in het leven van een individu voorkomen. Maar Dröes & Van Weeghel (1994) zeggen, dat het belang van rehabilitatieprogramma’s in het leven van mensen moet gerelativeerd worden. Mensen met psychische problemen leren het meest van het leven zelf. Dit wil niet zeggen dat rehabilitatieprogramma’s overbodig zijn; ze dienen tot het mogelijk versterken van natuurlijke tendensen.

 

Volgens Wilken & den Hollander (1999: in Kal, 2002) is rehabilitatie ook gericht op normalisatie en ze stellen zich hierbij de vraag of er echt ruimte wordt gemaakt voor het afwijkende.

De rehabilitatietheorie legt nog te veel de nadruk op het aanpassen van mensen met een psychiatrische achtergrond aan de ‘normen’ van de maatschappij. De ‘strijdigheid’ die deel is van de integratie van mensen met psychiatrische problemen krijgt te weinig ruimte. Doortje Kal (2002) verdedigt de stelling dat het streven naar normalisatie van ‘het andere’ een spanning oproept; deze spanning duidt Kal met ‘strijdigheid’. Het herstel van de ontmoeting (of de dialoog) tussen de rede en de waanzin gaat gepaard met strijdigheid. Kal stelt de strijdigheid centraal en wil hiervoor ruimte maken.

Kal wil deze ruimte scheppen via ‘Kwartiermaken’, waar mensen in hun ‘anders zijn’ kunnen verschijnen, zonder dat ze dat moeten bekopen met opsluiting of uitsluiting. Kwartiermaken moet uitzicht bieden op integratie en behoeden voor een gelijkmakende assimilatie waarin geen erkenning is voor andersheid. (Kal, 2002).

 

Volgens Van Weeghel (2004) worden in de westerse wereld herstel, vraaggerichtheid en empowerment steeds meer richtinggevend voor het denken over rehabilitatie.

Achter het begrip ‘herstel’ zit een hele gedachte die we in de internationale literatuur kennen onder de term ‘recovery’. Recovery heeft zowel een klinische of medische betekenis, als een sociale of rehabilitatie betekenis (Secker et al., 2002 ;Davidson et al., 2005). We gaan aan de slag met de laatste betekenis.

In Dröes & Van Weeghel (1994, p 804) lezen we dat herstel (recovery) is wat mensen met een beperking zelf doen en rehabilitatie is wat hulpverleners doen om dat herstelproces te bevorderen (zie ook Anthony, 1993; Farkas, 1996; Boevink, 1997).

 

 

1.2      Recovery

De recovery gedachte is vooral gegroeid vanuit de psychiatric survivor movement begin jaren zeventig en hierbij gedaan onderzoek naar zelfhulp en peerrun organisaties (Deegan, 2003). Volgens de beschrijvingen van deze mensen houdt recovery zelf-empowerment, controle hebben, capaciteit tot zelf-genezing, hoop en uitsluiten van de slachtofferrol in (Munetz & Frese, 2001). Het recovery model wordt vaak gezien als alternatief op het medisch model, dat paternalistisch is, met nadruk op ziekte en zwaktes in plaats van op gezondheid en sterktes (Munetz & Frese, 2001).

Volgens Deegan – een verdediger van het recovery model en ervaringsdeskundige – is het belangrijk een onderscheid te maken tussen een ziekte hebben en een ziekte zijn. Ze benadrukt dat recovery niet ‘genezen’ betekent (zie ook Anthony, 1993). Recovery is een levenslang proces (Munetz & Frese, 2001).

Deegan (2003) bekijkt recovery vanuit een sterkteperspectief en ijvert voor de blijvende nood aan ondersteuning. Deze ondersteuning moet aansluiten bij het herstelproces, dat een individueel, verschillend, persoonlijk, langdurig en discontinu verloop kent (Dröes & Van Weeghel, 1994). Voor Boevink (1997) gaat herstel in essentie over het gewone leven en is in haar ogen onlosmakelijk verbonden met emancipatie van mensen.

 

Volgens Kristiansen (2005a in: Roets et al., 2005, p 16) worden gemeenschappelijke betekenissen en elementen van het proces van recovery beschreven door:

1.      Recovery betekent dat we er a-priori van uitgaan dat mensen met (ernstige) psychische problemen op de eerste plaats in staat zijn zelf controle te hebben/houden over hun eigen levenstraject. Op hun eigen, unieke manier kunnen deze mensen (leren) omgaan met de brede aspecten van leven met een psychische beperking.

2.      Recovery betekent dat we er van uitgaan dat mensen opgenomen willen en moeten worden/zijn in de samenleving, wat beslist méér inhoud dan enkel ‘overleven’ op de rand van de maatschappij.

3.      Recovery betekent dat mensen gezien worden als interafhankelijk van elkaar. Mensen met psychische problemen worden gezien als veerkrachtige mensen, die in staat zijn op elk moment controle te (her)winnen over hun eigen leven. Dit mensbeeld bevat de doorvoelde perceptie van empowerment als een proces van geven en nemen (zie Van Hove & Roets, 2000).

4.      Recovery moet gezien en ervaren worden als een levenslang permanent proces met eerlijke ups en downs, niet als einddoel op zich.

5.      Recovery wordt gezien en ervaren als een proces dat kan verschillen als dag en nacht van persoon tot persoon. Net als mensen en hun leven, is dit proces een unieke ervaring. Dit wordt in traditionele benaderingen dikwijls net niet gezien, omdat men daar vooral op zoek gaat naar het categoriseren van stoornissen en het ‘genezen’ van ‘patiënten’.

6.      Bij recovery ontkent men niet dat mensen met psychische problemen wel degelijk moeten rekening houden met hun beperking. Men zet vooral in de verf dat deze beperking(en) dagdagelijkse realiteit zijn voor mensen die dit als een inherent deel van hun leven kunnen gaan beschouwen. Maar men gaat er vooral van uit dat mensen best hun eigen realiteit bepalen in dialoog met anderen. Mensen met psychische problemen worden gezien als ervaringsdeskundigen en experts over hun eigen leven. Zij kunnen ons best zélf informeren over de ondersteuning die nuttig is in hun ogen.

 

Naast recovery, gaan we ook uit van een mensenrechtenperspectief. We vinden het onaanvaardbaar dat mensen hun rechten worden geschonden omwille van een psychisch probleem. Ondanks het bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (VN, 10 december 1948[1]), het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten en Fundamentele Vrijheden van de Mens (EU, 4 juni 1950[2]) en de ‘UN Principles for the Protection of Persons with Mental Illness and for Mental Health Care’, beter gekend als de MI Principles (VN, resolutie 46/119, 17 december 1991[3]), zijn schendingen van rechten van mensen met psychische problemen, schering en inslag. Het vonnis van het Foucault-tribunaal in Berlijn op 2 mei 1998[4] over de psychiatrie, spreekt boekdelen.

Van Judi Chamberlin (1998, p 408) – ervaringsdeskundige – nemen we aan dat “The continued existence of involuntary commitment, of prison-like mental institutions, of discrimination and segregation, shows how far we still have to go to reach our goals: full citizenship, equality, and human dignity”.

De tijd is aangebroken “to turn rhetoric into action” (Maingay et al., 2002).

 

We nemen recovery en mensenrechten als uitgangspunt om te kijken naar mensen met psychische problemen.

In het proces van recovery speelt het proces van empowerment een grote rol (Anthony, 1993; Nelson et al., 2001).

 

 


1.3      Empowerment

“Empowerment cannot be given, it must be taken.” (McLean, 1995, p 1058).

 

Empowerment is een heel populair begrip in de geestelijke gezondheidszorg en vele organisaties claimen dat ze hun cliënten ‘empoweren’ (Chamberlin, 1997).

In een Europees onderzoek van Van Weeghel et al. (2005) naar componenten van ‘good community care for people with mental illnesses’ geven stakeholders aan dat ze groot belang hechten aan empowerment.

 

Veel definities dekken het begrip, zodat de betekenis van empowerment onduidelijk wordt. Uit een onderzoek van Chamberlin (1997) komt een ‘working definition’ van empowerment voort. We kiezen hiervoor omdat ze groeide uit de betekenissen die ervaringsdeskundigen zelf geven aan empowerment. Het is een uitgebreide definitie die het proces van empowerment probeert te dekken.

 

1.      Having decision-making power;

2.      Having access to information and resources;

3.      Having a range of options from which to make choices;

4.      Assertiveness;

5.      A feeling that the individual can make a difference;

6.      Learning to think critically;

7.      Learning about and expressing anger;

8.      Not feeling alone; feeling a part of a group;

9.      Understanding that people have rights;

10.  Effecting change in one’s life and one’s community;

11.  Learning skills that the individual defines as important;

12.  Changing others’ perceptions of one’s competency and capacity to act;

13.  Coming out the closet;

14.  Growth and change that is never ending and self-initiated;

15.  Increasing one’s positive self-image and overcoming stigma.

(Chamberlin, 1997, p 44)

 

Bij een drop–in center speelt ‘empowerment’ van bezoekers een grote rol (McLean, 1995).

“(…) consumer-operated services attempt to enable consumers to do better problem-solving, increase their sense of personal control, gain individual autonomy, and receive more experience in decision making – all necessary elements in an empowerment practice orientation” (Mowbray et al., 2002, p 250).

 

Om empowerment een kans te geven, moeten mensen naast de rol van ‘consumer’, ook de rol van ‘producer’ kunnen opnemen. Mensen moeten kunnen evolueren van passief object in de geestelijke gezondheidszorg, naar actief subject. Empowerment is een proces dat hen hierbij kan begeleiden.

 

Macht en machteloosheid zijn belangrijke factoren om empowerment te meten (Rogers et al., 1997). Het opnemen van een subjectrol heeft veel te maken met macht. Zowel de macht van de professional, als de macht van de cliënt wijzigt.

McLean (1995) legt dit als volgt uit. Macht wordt bekeken als een relationele term waar consumptie en productie een rol spelen. Als ‘consumer’ hebben mensen met psychische problemen weinig macht over de productie van diensten . Omdat mensen met psychische problemen het heft zelf in handen kunnen nemen, voldoet de term ‘consumer’ niet meer en er wordt gepleit voor een andere term/rol. Mensen worden ‘producer’ van hun eigen wereld.

Beresford (2001, p 508), een ‘psychiatric system survivor’, zegt: “They want to develop their own practice, services and organisations instead of just being subject to other people’s”.

 

In een drop-in center kan ruimte gecreëerd worden waar mensen een rol als ‘producer’ of actief subject, kunnen opnemen. Wanneer bezoekers meer inspraak hebben, verandert de positie van de hulpverlener (Van Haaster et al., 1999). De kennis en de macht van bezoekers wordt groter en kan een positief effect hebben op empowerment (Pease, 2002).

In de V.S. werden, in samenwerking met een ‘peer-run drop-in center’ vaardigheidstrainingen opgezet “as a way to facilitate personal and organizational empowerment” (Bentley, 2000, p174). Uit longitudinale evaluatie bleek dat de trainingen vooral bijdroegen tot ‘personal empowerment’. Ook in Nederland werden in het kader van herstelprojecten vormingen opgezet, die door ervaringsdeskundigen zelf gegeven werden (Haaster et al., 1999). Eén van deze cursussen ging over empowerment en was gebaseerd op het werk van Judi Chamberlin (Van Hoof et al., 2004).

 

Deze initiatieven kunnen mensen extra ondersteunen in het opnemen van een actieve subject rol in een drop-in center.

Het sluit aan bij de recovery gedachte, waarbij mensen een actieve rol opnemen om tot herstel te komen (Van Hoof et al., 2004) en professionals hun vaardigheden en expertise gebruiken in samenwerking mét mensen, om zo macht te delen (Borg & Kristiansen, 2004).

 

Manning (2000) vertrekt vanuit de principes en de filosofie van empowerment bij het beschrijven van de ‘CHARG’, een drop-in center in Denver (VS). Ze wijst op het belang dat professionelen macht uit handen kunnen geven.

Empowerment requires a fundamental shift for professionals to leave a problem alone, so that clients/consumers can address it themselves, in their own way. Professionals are still needed to help define the problem, sort out options, etc., but must resist the impulse to become too assertive in their suggestions. This is especially challenging when the professional is fairly certain that consumers are making a mistake (Manning, 2000, p128).

Uit dit citaat blijkt duidelijk de ‘strijdigheid’ die Kal (2002) als centraal uitgangspunt neemt bij het creëren van ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond.

 

Vanuit empowerment maken we de overgang naar vermaatschappelijking.

 

 


1.4      Vermaatschappelijking

In 2003 verscheen het rapport ‘Vermaatschappelijking van de Geestelijke Gezondheidszorg’ van De Rick et al. (2003). Om vermaatschappelijking te schetsen, gebruiken we hoofdzakelijk dit rapport, naast het onderzoeksrapport ‘Meedoen. Maatschappelijke ondersteuning voor mensen met psychische handicaps. Monitorrapportage vermaatschappelijking.’ van Van Hoof et al. (2004).[5]

 

Door de eeuwen heen zijn er altijd verschillende vormen van ‘zorg’ geweest voor mensen met psychische stoornissen, zowel in instellingen als in de gemeenschap, maar de grenzen tussen het persoonlijke en het publieke domein, tussen instituten en de gemeenschap, … zijn vaak veranderd. Gedurende de laatste decennia vond er in de geestelijke gezondheidszorg opnieuw een verschuiving plaats, namelijk van institutionalisering van ernstig en langdurig psychisch zieken naar de –institutionalisering en vermaatschappelijking (De Rick et al., 2003, p 1).

 

Vermaatschappelijking ontwikkelde zich door de jaren heen tot een containerbegrip (Kwekkeboom, 2004). Het is een proces, waarbij mensen met psychische problemen een positie als burger in de samenleving proberen te verwerven. Dit proces, wat voor een groot deel emancipatorisch is, wordt vaak aangeduid met de term empowerment (Van Hoof et al., 2004).

Volgens De Rick et al. (2003, p 2) verwijst het begrip vermaatschappelijking naar een geestelijke gezondheidszorg die zich afspeelt in de maatschappij en die gekenmerkt is door sociale integratie van de patiënt, door humanisering van de zorg en door aandacht voor maatschappelijke aspecten van de psychische problematiek.

Van Hoof et al. (2004) werkt vermaatschappelijking uit in vijf kernelementen. Deze elementen zijn: zorg en ondersteuning vanuit naaste omgeving; (ruimte voor) eigen initiatieven en eigen ervaringen van mensen met psychische handicaps; draagvlak en beeldvorming in de samenleving; ondersteuning bij sociale en maatschappelijke participatie; en sturing en organisatie van het maatschappelijk ondersteuningsaanbod.

Vermaatschappelijking is daarmee meer dan extramuralisering en het is een verantwoordelijkheid van de hele samenleving (Michon & Kroon, 2002; Kal, 2002; Kwekkeboom, 2004; Van Weeghel et al., 2005). Met de huidige individualisering, wordt die uitdaging eens zo groot.

 

Op beleidsniveau komt ook aandacht voor inhoudelijke aspecten van vermaatschappelijking. In de beleidsnota van Aelvoet & Vandenbroucke (2001, p 4) staat dat patiënten in de eerste plaats burgers zijn en recht hebben op participatie aan het maatschappelijke leven. In de beleidsnota van Vervotte (2004, p 45) lezen we dat de geestelijke gezondheidszorg beoogt dat mensen competenties verwerven of ontwikkelen, die de basis vormen voor hun emancipatie en hun maatschappelijk (geïntegreerd) functioneren.

 

Omdat de doelgroep van vermaatschappelijking gedurende zeer lange tijd ondersteuning nodig heeft en (vaak tegelijkertijd) uit verschillende bronnen, is continuïteit van zorg en een gedifferentieerd zorgaanbod van belang. Hieraan wordt tegemoet gekomen door het ontwikkelen van maatschappelijke steunsystemen (De Rick et al., 2003).

In de Verenigde Staten heeft men al twintig jaar ervaring met ‘community support systems’ (css). In zekere zin was het css-concept een correctie op het deïnstitutionaliseringsbeleid en moest het een dekkend alternatief zijn voor wat een ‘state mental hospital’ voorheen te bieden had (Van Weeghel & Dröes, 1999, p 150).

 

Men kan een maatschappelijk steunsysteem omschrijven als een geheel van behandelelementen en ondersteunings –en rehabilitatiemogelijkheden die de cliënt nodig kan hebben om zijn plaats in de samenleving in te nemen(Van Weeghel & Dröes, 1999). Maatschappelijke steunsystemen worden bij voorkeur regionaal georganiseerd. Het subsidiariteitprincipe is van toepassing in zo ‘n systeem en sluit daarmee aan bij de recovery gedachte, dat mensen in de eerste plaats zelf kunnen instaan voor hun herstel. Ze zijn niet enkel consument, maar ook producent van een maatschappelijk steunsysteem. Zelfhulp, maar ook hulp van lotgenoten en ‘consumer-run projecten’, komen op de eerste plaats (Van Weeghel & Dröes, 1999).

 

Om vermaatschappelijking te laten slagen, moet actief gewerkt worden aan de maatschappelijke inbedding. Zowel de cliënten als de hulpverleners, de instellingen en de overheid hebben hier een taak te vervullen. Het informele netwerk is onmisbaar, wil het steunsysteem een echt sociaal systeem worden. Steunsysteem en steunverleners moeten elkaar leren kennen als ‘persoon’ en niet (alleen) vanuit hun ‘functie’ of ‘ziekte’ (Van Weeghel & Dröes, 1999). Om deze ontmoeting te laten plaatsvinden, moet ‘ruimte’ gecreëerd worden. Hiervoor gebruikt men vaak de term ‘kwartiermaken’. Deze term werd hierboven beschreven.

Voor deze maatschappelijke inbedding is een voldoende groot draagvlak nodig (De Rick et al., 2003; Van Hoof et al., 2004), dat zich moet uitstrekken over de hele samenleving.

 

De media bepaalt sterk het beeld van de geestelijke gezondheidszorg en mensen met psychische problemen (Wilson & Beresford, 2002; Beresford & Wilson, 2002; WHO, 2005) en speelt daardoor een grote rol in het creëren van een draagvlak. De laatste jaren wordt meer aandacht besteed aan initiatieven ter bevordering van de beeldvorming. Ondanks verscheidene inspanningen is nog weinig verbetering merkbaar (Van Hoof et al., 2004).

 

Wanneer we het hebben over beeldvorming, is stigmatisering vlakbij. Omdat stigma heel belangrijk is, willen we het hier kort aanhalen.

 

Stigma

Stigma is het samengaan van labelling, stereotypering, scheiding ‘wij versus zij’ en het verlies van status en discriminatie als een resultaat van voorgaande componenten (Gaebel et al., 2006). Stigma treft veel mensen.

Mensen met psychische problemen hebben vaak een dubbel probleem. Ten eerste moeten ze omgaan met de symptomen van hun psychische problemen, die vaak moeilijkheden geven in bijvoorbeeld werk –en woonsituaties. Ten tweede moeten ze omgaan met foute opvattingen en reacties van de samenleving over psychiatrie (Corrigan, 2004; Rüsch et al., 2005).

Volgens Corrigan et al. (2005) kunnen we stigma zien als ‘public stigma’ en als ‘self-stigma’. Public stigma is het fenomeen waarbij grote sociale groepen stereotypen bekrachtigen en reageren tegen de gestigmatiseerde groep. Self-stigma is het verlies van zelfrespect dat voorkomt als mensen de public stigma internaliseren.

Onderzoek heeft aangetoond dat empowerment en self-stigma tegengestelde polen zijn op een continuüm (Rüsch et al., 2005).

Voor veel mensen met psychische problemen is (de angst voor) stigmatisering een belangrijke barrière voor maatschappelijke participatie en een dagelijkse bron van zorg (Van Hoof et al., 2004, p 57). In het kader van vermaatschappelijking en het creëren van een draagvlak ervoor, werkt de ggz strategieën uit om stigmatisering tegen te gaan (De Rick et al., 2003).

 

Michon & Kroon (2002) zeggen dat er grenzen zijn aan vermaatschappelijking, maar wijzen erop dat die grenzen nog lang niet bereikt zijn. Waarschijnlijk ligt bij een verbetering van begeleiding en ondersteuning, voor veel meer mensen een zelfstandige plek in de samenleving in het verschiet.

De vraag wie deze grenzen zal bepalen, komt sterk naar boven. In het verleden werden de grenzen veelal bepaald door ‘de sector’. Wanneer we uitgaan van recovery moet de kennis van ervaringsdeskundigen een grotere rol spelen.

 

De visie op ruimte creëren bij vermaatschappelijking sluit aan bij de visie op sociale inclusie. Sociale inclusie betreft het creëren van een openheid vanuit de maatschappij naar mensen met psychische problemen toe, waarbij de maatschappij deze mensen aanvaardt als burgers van de samenleving (Banduin & Kal, 2000 in: Mertens, 2004).

De contacthypothese leert ons dat het zinvol is mensen met elkaar in contact te brengen. Een oud gezegde leert ons; “onbekend, maakt onbemind”. Contactstrategieën zijn gebaseerd op de wetenschap dat personen die in hun dagelijks leven al te maken hebben (gehad) met bijvoorbeeld medeburgers met psychiatrische problemen, gunstiger oordelen over deze groep. Onderzoek laat zien dat contactstrategieën tot de grootste positieve verandering leiden inzake stereotypen, vooroordelen en discriminatie (Van Hoof et al., 2004; Kwekkeboom, 2004). Sociale contacten kunnen misschien het draagvlak van vermaatschappelijking bevorderen. Ook Michon & Kroon (2002) rekenen projecten voor ontmoetingsplaatsen bij initiatieven die het proces van vermaatschappelijking proberen bevorderen.

 

Begin 2000 startte in drie Vlaamse regio ’s een onderzoeksproject over de vermaatschappelijking in de geestelijke gezondheidszorg om de ontwikkeling van een maatschappelijk steunsysteem te bevorderen en te evalueren. In de regio Gent werd in het kader van het vermaatschappelijkingsproject hoofdzakelijk gewerkt aan de realisatie van een laagdrempelig ‘aanloophuis’ (De Rick et al., 2003).

Sociale contacten en een goede dagbesteding zijn voor mensen met psychische problemen niet vanzelfsprekend. Deze elementen kwamen in het onderzoek van De Rick et al. (2003) via ‘concept mapping’ naar voor als vormen van ondersteuning waar zeker aan gewerkt moet worden om deze mensen een goed leven te laten leiden in de samenleving. In de regio Gent werden het bevorderen van sociale contacten en een goede dagbesteding aangeduid als een speerpunt voor het project.

 

 


1.5      Aanloophuis

Het idee dat mensen met psychische problemen diensten voorzien voor hun ‘peers’, is geen nieuw concept. ‘Peer-based services’ zijn vooral gegroeid uit de ‘ex-patient movement’ van de jaren zeventig en zijn verder ontwikkeld als alternatieven op de traditionele ggz en de psychiatrische instellingen (Mowbray et al., 2002).

In de literatuur worden verschillende ‘user-operated services’ beschreven, zoals drop-in centers, ondersteuningsdiensten voor daklozen, belangenbehartiging, case management, enz. (o.a. Segal et al., 1994; Chamberlin et al., 1996; Van Haaster et al., 1999; Oudman, 1999; Kwee & Passavanti, 1999; Mowbray et al., 2002; Holter et al., 2005).

 

Een vaak beschreven ‘user-operated service’ is het drop-in center. Mowbray et al. (2002) zegt dat de historische oorsprong van het drop-in center weinig is gedocumenteerd. Ze geven wel een voorbeeld van een rapport waar reeds gesproken werd over een drop-in center:

“In 1961 the report of the Joint Commission on Mental Illness and Health identified four types of ex-patient alternatives. Consumer drop-in centers appear similar to their “social clubs”, which were organized to provide ex-patient with support, recreation, and social interaction” (Mowbray et al., 2002, p249).

 

Deze initiatieven passen binnen nieuwe denkwijzen, waarbij een verschuiving gebeurt van nadruk op pathologie, hiërarchie, psychotherapie en symptoom reductie, naar een model dat de nadruk legt op sterktes, samenwerking, rehabilitatie en recovery (Bentley, 2000).

 

1.5.1      Definities

In de Amerikaanse literatuur wordt een laagdrempelig ontmoetingshuis (drop-in center) gedefinieerd als een omgeving die weinig eisen stelt, waarin gebruikers vrijwillig deelnemen aan een brede waaier van activiteiten, met als meest voorkomend doel sociale contacten en ontspanning (Bond, 1994, p 46).

 

Een ‘drop-in center’ vertalen we als een ontmoetingshuis of een aanloophuis. We kiezen voor de term ‘aanloophuis’, omdat een ‘drop-in center’ meer is dan ontmoeting alleen. Mensen “lopen” vrij “aan” in een aanloophuis. We kiezen ook voor de term aanloophuis omdat Poco Loco – het drop-in center waar ons onderzoek door gaat – zichzelf benoemt als een aanloophuis.

 

In Nederland spreekt men van ‘inloophuizen’ en ‘DAC’s[6] met een inloopfunctie’ die zich kenmerken door hun laagdrempeligheid en hun weinig gestructureerde activiteiten. Ze richten zich vooral op ontmoeting (Zeldenrust & Van Zuthem, 1996).

 


1.5.2      Functies

Ontmoetingshuizen kunnen een aantal belangrijke functies vervullen (Meek, 1994).

Meek (1994, p 49) merkt op dat ontmoetingshuizen buiten deze functies nog andere functies kunnen vervullen.

§         Gedeelde steun bieden aan mensen met psychische problemen.

§         Kansen bieden op socialisering.

§         Aanbieden van een minder medisch en minder gestructureerd programma voor mensen die geen beroep wensen te doen op de traditionele GGZ.

§         Een link voorzien tussen mensen met psychische problemen en de GGZ.

§         Informatie geven.

§         De kans geven aan mensen met psychische problemen op te komen voor zichzelf.

§         Een bondgenoot zijn van mensen met psychische problemen tegen het systeem.

§         Mensen integreren op sociaal vlak en op vlak van arbeid.

§         Een centrale plaats bieden voor activiteiten.

§         Een kans op autonomie bieden aan mensen met psychische problemen.

 

Mowbray & Tan (1992) vinden dat mensen naar een drop-in center gaan om te relaxen, te socialiseren, ondersteuning te krijgen en vrijheid te ervaren zonder een opgelegde structuur.

Persoonlijke keuze, vriendschap en identiteit zijn zaken die mensen proberen te verwerven in een drop-in center en deze zijn voor sommige mensen elders moeilijker te verwerven (Parr, 2000, p 229).

 

Uit een vooronderzoek voor het opzetten van een aanloophuis in Gent blijken de belangrijkste noden in de eerste plaats mensen de gelegenheid te geven anderen te ontmoeten en in de tweede plaats de tijd zinvol door te brengen. Er blijkt een grote bereidheid bij mensen, om zelf mee te werken in het aanloophuis (De Rick et al., 2003).

Vaak ligt in een drop-in center de nadruk sterk op empowerment en advocacy (McLean, 1995; Manning, 2000).

Uit het survey van Mowbray et al. (2002) blijkt dat een belangrijke verwachting voor drop-in centers is : “(…) to just be there and open, or at best to have social-recreational activities” (p259).

Sommige auteurs, zoals Mowbray & Tan (1992) en Segal (1994), definiëren drop-in centers sterker vanuit ‘self-help’ en leggen meer nadruk op het feit dat een drop-in center ‘consumer-run’ moet zijn. Functies zoals ‘advocacy’ en ‘problem solving’ treden dan meer op de voorgrond.

 

Aanloophuizen richten zich niet alleen op mensen met een psychiatrische achtergrond, maar bij de meeste bezoekers is ooit een psychiatrische diagnose vastgesteld (Zeldenrust & Van Zuthem, 1996; Van Hoof et al., 1999).


1.5.3      Overzicht onderzoek in drop-in centers

In de VS werden al verscheidene onderzoeken gedaan naar drop-in centers.

 

De survey van Chamberlin et al. (1996) van consumer drop-in programma’s vond dat de meeste hulp werd geboden door legale activiteiten, gevolgd door werk, algemene advocacy, sociale recreatieve activiteiten en tijdelijk onderdak.

Een evaluatie (door Mowbray & Tan in 1992 en 1993) van zes consumer drop-in centers in Michigan, gaf aan dat drop-in centers omgevingen zijn die veilig, vriendelijk, ondersteunend, hulpvol en normaliserend zijn. Uit zelfrapportage bleek minder sociale isolatie en meer productieve inspanningen in verband met werk, school en participatie (Mowbray et al., 2002).

Later deden Mowbray et al. (2002) een survey bij 32 drop-in centers in Michigan naar de betrokkenheid van bezoekers. Ze maakten een verschil tussen ‘consumer-run’ en ‘consumer-involved’ drop-in centers. De specifieke resultaten hiervan zouden ons te ver leiden. Er waren gelijkenissen en verschillen, wat aantoont dat drop-in centers onderling variëren, maar vaak gelijklopende patronen vertonen. Dit wordt eveneens bevestigd door de gelijkenissen en verschillen in het survey van Chamberlin et al. (1996).

Zeldenrust & Van Zuthem (1996) zeggen dat dagbestedingsprojecten onderling sterk kunnen verschillen door de positie en de inbreng van de bezoekers.

 

Parr (2000) beschrijft een etnografisch onderzoek in een drop-in center in Nottingham (UK) om een zicht te krijgen op ‘the hidden social geographies’ of deinstitutionalisation, and assess ‘semi-institutional places’ as new arenas of identity formation for ex- and present psychiatric patients (p 226). Dit onderzoek toont aan dat in een drop-in center waarden en normen onder bezoekers een belangrijke rol spelen en een invloed hebben op ‘inclusion’ en ‘exclusion’ van bezoekers.

McLean (1995) maakte ook gebruik van etnografisch onderzoek in een drop-in center in de VS en toont het verschil aan tussen de filosofie over empowerment van het drop-in center en de dagelijkse praktijk in het drop-in center. Ze linkt haar bevindingen aan een ruimere context van de consumer/ex-patient movement in de VS.

 

Uit een onderzoek van Manning (2000) in een drop-in center blijkt dat het belangrijk is voor professionelen om macht te leren loslaten en voor bezoekers om met macht te leren omgaan.

 

 


2        Methodologie

We starten met de onderzoeksvragen. Daarna bespreken we in de context van het onderzoek eerst het aanloophuis Poco Loco, geven we voorbeelden van soortgelijke organisaties en beschrijven we de doelgroep van het onderzoek. Nadat we ‘participerende observatie’ een plaats geven in ons onderzoek, werken we de methodologie van de kwalitatieve interviews verder uit.

 

 

2.1       Onderzoeksvragen

Bij de opzet van ons onderzoek, vragen we ons vooral af wat een aanloophuis betekent voor mensen en hoe ze het bezoeken ervan ervaren. De hoofdonderzoeksvragen zijn bewust ruim gehouden, omdat we niet op voorhand weten waar de resultaten van de interviews ons zullen heen sturen.

In kwalitatief onderzoek worden vaak brede onderzoeksvragen gehanteerd, om de diepere betekenis van iets te achterhalen. Brede onderzoeksvragen worden verder in het onderzoek verfijnd (Fossey et al., 2002).

In ons onderzoek worden de onderzoeksvragen verfijnd via de gestelde vragen in de interviews.

 

De onderzoeksvragen zijn:

 

§         Hoe ervaren mensen het bezoeken van een aanloophuis?

§         Wat betekent een aanloophuis voor de bezoekers?

 

Via participerende observatie (etnografisch onderzoek) en kwalitatieve interviews zochten we antwoord op deze onderzoeksvragen.

 

 

2.2      Concrete context onderzoek

Eerst bespreken we aanloophuis Poco Loco (Gent), waar we ons onderzoek voerden. We besteden kort aandacht aan het ontstaan en de vormgeving van de organisatie. Daarna leggen we beknopt een aantal soortgelijke initiatieven uit. Door bezoekers zelf aan het woord te laten, stellen we de doelgroep van het aanloophuis voor.

 

In september 2005 stelde ik het onderzoek voor op de vrijwilligersvergadering. Ik kreeg de goedkeuring van de bezoekers en het personeel.

 

Tot februari 2006, ging ik wekelijks naar Poco Loco. Ik ontmoette veel bezoekers, sloeg een praatje aan de bar en participeerde aan tal van activiteiten.

De eerste maanden leerde ik Poco Loco kennen, zijn bezoekers, zijn personeel en zijn gewoonten. Daarna, tussen november 2005 en februari 2006 deed ik tien kwalitatieve interviews met bezoekers.

 

2.2.1      Poco Loco

In de folder van Poco Loco staat dat het een aanloophuis is voor mensen die het door omstandigheden in hun leven, moeilijk hebben om (terug) aan te knopen met de maatschappij. Het is een plaats voor ontmoeting, met de kans om een babbel te slaan, om mensen te leren kennen, om iets te drinken of te eten, om de batterijen op te laden, om samen dingen te doen zoals koken, werken in de tuin, met muziek bezig zijn, zich creatief te uiten in een open ongedwongen sfeer met respect voor ieders eigen-aardigheid.

 

Voor al deze activiteiten wordt een beroep gedaan op bezoekers, die zich engageren als vrijwilliger en zich wekelijks verenigen in een vergadering om de gang van zaken te bespreken en te organiseren.

 

We illustreren vrijwilliger zijn met een citaat uit de interviews.

“Hier vrijwilliger zijn, wil zeggen dat je niet gebonden bent. Ik kan het vergelijken met vrijwilligerswerk in de kringloopwinkel. Daar heb je wel gebondenheid. Er wordt verwacht dat je je op een bepaalde dag en een bepaald uur inzet. Poco Loco daarentegen is heel vrij. Als je hier toekomt en er is een bepaald werk, kan je dat aannemen zonder dat het op voorhand gepland is. Het is enorm flexibel hier. Ik kook normaal op dinsdag, maar als ik eens niet kan of ik ben het vergeten, gaat niemand me daar scheef voor bekijken. Dan doet iemand anders het wel. Zonder een zware planning komt alles op zijn pootjes terecht. Dat vind ik heel goed.

Je bent vrijwilliger als je u kan inzetten waar het nodig is, zonder verplichtingen en vergoedingen. Dat is voor mij hier vrijwilliger zijn.”

(Fr)

 

Poco Loco ligt in het centrum van Gent, in het Klein Begijnhof en is eenvoudig te bereiken met het openbaar vervoer. Volgens een enquête (2004) onder bezoekers komt de meerderheid met het openbaar vervoer, gevolgd door te voet en de fiets. Weinig mensen komen met de auto.

Het is een oud, ruim pand (één van de oude conventen in het begijnhof), met verschillende ruimtes. Een grote ontmoetingsruimte, een keuken, een atelier, een klein lokaal, een bureau, bergruimte en een tuin.

De grote ontmoetingsruimte is het hart van Poco Loco met een bar, zetels en tafels, een biljart, tafelvoetbal, televisie en video-dvd, computer met internet, boekenkast, gezelschapspelletjes, enz.. 

 

a)        Ontstaan[7]

In het kader van ‘2001, jaar van de geestelijke gezondheidszorg’ werd een schriftelijke rondvraag gedaan naar de leefgewoontes bij verschillende doelgroepen van onze gemeenschap.

Hieruit bleek vooral buiten de kantooruren een grote nood te bestaan aan voorzieningen voor mensen die zich niet op hun gemak voelen in ‘het gewone circuit’ voor vrijetijdsbesteding of clubs.

Verschillende partners[8] uit de Gentse Geestelijke Gezondheidszorg besloten hun krachten te bundelen om samen een project vorm te geven om dit gat in de zorg op te vullen. Ze vonden eveneens steun bij de Provincie Oost-Vlaanderen voor de realisatie van een ‘Aanloophuis’. De bedoeling was om in de Gentse binnenstad een plek te creëren voor mensen die om de een of andere reden in hun leven moeilijkheden ondervonden om (terug) aan te knopen bij de maatschappij.

In het Klein Begijnhof werd een ruim pand gevonden. Op 1 maart 2002 werd het aanloophuis Poco Loco, Spaans voor een beetje gek of prettig gestoord, geopend.

 

b)        Organisatie

Algemeen

Het dagelijkse reilen en zeilen wordt in goede banen geleid door één coördinator en drie vaste projectmedewerkers, die een zo laagdrempelig mogelijk beleid ten aanzien van de bezoekers proberen te voeren. Bezoekers moeten zich niet op voorhand aanmelden en ‘intakes’ worden niet afgenomen. Wenst een bezoeker liever de kat uit de boom te kijken, dan wordt dit door de anderen gerespecteerd. Bezoekers en personeel staan samen in voor de dagelijkse werking van het aanloophuis.

 

Overlegstructuren

Tijdens de vrijwilligersvergadering, die elke dinsdag doorgaat om 15u30, worden praktische zaken besproken (de verdeling van de bar, het doen van boodschappen,…), voorbije activiteiten geëvalueerd en nagedacht over nieuwe activiteiten. Iedereen kan er eigen ideeën en opvattingen verwoorden. Binnen deze vrijwilligersvergadering worden de afgevaardigden voor de stuurgroep gekozen (1 tot 3 personen). De bedoeling is dat de vrijwillige medewerkers een actieve rol kunnen spelen in de koers die het aanloophuis vaart en dat ze tegelijkertijd zicht krijgen op alles wat daarbij komt kijken.

 

De stuurgroep is de inhoudelijke denktank van Poco Loco en komt (bijna) maandelijks samen. Hierin zetelen, naast de verkozen vrijwilligers, de vertegenwoordigers van het functioneel samenwerkingsverband. De toepassing van de visie en de doelstellingen in de praktijk is een taak die door hen wordt opgenomen.

 

Tenslotte is er nog de netwerkvergadering, die (ongeveer) tweemaandelijks samenkomt en vooral de beleidsmatige aspecten en de financiële ondersteuning onder de loep neemt.

 

Themagroepen

Verschillende activiteiten keren op geregelde basis terug. Voorbeelden van themagroepen zijn: Naai-atelier, Tuin, Filosofie, Schilderatelier, Muziek, Relaxatie, enz. .

2.2.2      Soortgelijke organisaties

In Oost-Vlaanderen bestaan nog enkele soortgelijke organisaties die ik niet opnam in mijn onderzoek. De Loft (Dendermonde), de Zigzag (Sint-Niklaas) en de Moester (buurt van Gent) worden door vele bezoekers opgegeven als een initiatief dat lijkt op Poco Loco. Deze organisaties werken geregeld samen met Poco Loco.

 

Voor een korte voorstelling van deze organisaties verwijzen we naar bijlage 1.

 

2.2.3      Doelgroep Poco Loco

Poco Loco ziet onder zijn doelgroep mensen die het door omstandigheden in hun leven moeilijk hebben om (terug) aan te knopen met de maatschappij. De meerderheid van de mensen die naar Poco Loco komen hebben een psychiatrische achtergrond.

In de interviews vroeg ik aan de respondenten hoe ze de doelgroep van Poco Loco zouden omschrijven.

 

“Mensen die wat minder geaccepteerd worden in de gewone maatschappij.” (F)

 

“Gewoon mensen zoals je die anders ziet op straat.” (K)

 

“Mensen die eens uit hun eenzaamheid willen ontsnappen. Dat mensen eens kunnen buiten komen in plaats van altijd thuis te zitten.” (Kr)

 

“Psychisch een beetje in de war. Een beetje verloren lopen ze soms. Ze hebben geen vaste grond onder hun voeten.” (L)

 

“Dat is eigenlijk heel divers. Voornamelijk ex-psychiatrische patiënten maar ook mensen die door omstandigheden geen werk vinden en hier dan vrijwilligerswerk komen doen. Mensen die onder de mensen willen zijn.” (M)

 

“Ik vind dat er veel probleemmensen komen. Ik vind dat wel goed, want waar moeten die mensen anders naar toe. Ze weten dat ze altijd op Poco Loco terecht kunnen, want op café word je snel met de vinger gewezen. Het zijn niet allemaal probleemgevallen, maar toch veel. Toch mensen die over het algemeen een psychiatrisch verleden hebben gehad en die nu terug de stap naar de realiteit zetten. Want de psychiatrie, dat is toch altijd een beschermd iets hé. Als je ziek bent mag je bijvoorbeeld niet buiten. Als je buiten komt is dat zo niet meer. Als je ergens gaat wonen of beschut wonen is dat zo niet meer. Die bescherming heb je dan niet meer. Poco Loco geeft een beetje hetzelfde gevoel. Iedereen wordt er genomen zoals hij is. Als er iets is kan je dat altijd zeggen. (…)(Mg)

 

 


2.3      Participerende observatie …

Tussen september 2005 en februari 2006 bezocht ik bijna wekelijks Poco Loco. De bedoeling was bezoekers en de organisatie te leren kennen en begrijpen. Deze fase geldt ook als voorbereiding op de interviews. De bevindingen van mijn vele bezoeken gebruik ik niet als antwoord op de onderzoeksvragen, maar ze helpen wel bij het analyseren.

 

Mijn bezoeken aan Poco Loco proberen we in dit gedeelte te kaderen binnen onderzoekstheorie. We zoeken aansluiting bij participerende observatie en etnografisch onderzoek.

 

Participerende observatie wordt gebruikt om te leren over de natuurlijk voorkomende routines, interacties en gewoontes van een specifieke groep mensen in hun natuurlijke omgeving, om op die manier hun ‘cultuur’ te leren kennen (Fossey et al., 2002).

Etnografisch onderzoek is een methode die helpt bij het onderzoeken van de dagelijkse praktijk (McLean, 1995; Parr, 2000). Parr (2000) zegt dat etnografie kan helpen groeperingen en omgevingen die gemarginaliseerd zijn door de samenleving te begrijpen.

Participerende observatie sluit aan bij etnografisch onderzoek (Fossey et al., 2002: Withley & Crawford, 2005).

 

We gaan ervan uit dat bevindingen van deze bezoeken niet het resultaat zijn van zuiver etnografisch onderzoek. Ik deed geen systematische beschrijvingen van interacties en gedragingen van mensen. Tijdens de periode dat ik Poco Loco bezocht, hield ik wel een logboek bij met reflecties die voortvloeien uit mijn participatie in het aanloophuis. Een aantal fragmenten uit het logboek worden gebruikt in de discussie ter analyse van het onderzoek.

 

Ik ben altijd open geweest over de redenen van mijn bezoeken aan Poco Loco. Allereerst maakte ik mijn doel (tien mensen interviewen over hun meningen en ervaringen op Poco Loco) duidelijk op de vrijwilligersvergadering. Als mensen me vroegen waarom ik naar Poco Loco kwam – wat regelmatig gebeurde – vertelde ik steeds de reden.

 

Gedurende de eerste maanden participeerde ik in tal van zaken zoals helpen bij het koken, boodschappen doen, biljarten, in de tuin werken, voetbaltornooi, spelletjes, filosofiewerkgroep, poëzie-avond, BBQ vrijwilligers, eetfestijn, iets drinken, luisterend oor, … .

Tot januari 2006 ging ik geregeld naar de vrijwilligersvergadering. Vanaf maart 2006 bezocht ik Poco Loco nog enkele keren.

 

 


2.4      Kwalitatieve interviews

2.4.1      Epistemologie van het onderzoek

“To challenge the dominant discourse, we must be open to local knowledge and narratives of marginalized people.” (Hartman, 1992)

 

De epistemologische basis van ons onderzoek is hermeneutisch van aard en ons onderzoek is kwalitatief.

Kwalitatief onderzoek is een brede parapluterm voor onderzoeksmethoden die persoonlijke ervaringen, gedrag, interacties en sociale contexten beschrijven en verklaren zonder het gebruik van statistische procedures en metingen (Fossey et al., 2002).

Door de hermeneutische invalshoek gaan we op zoek naar de individuele betekenissen (ideografisch) die mensen geven aan Poco Loco. Deze betekenissen worden nadien geanalyseerd. Bij hermeneutiek blijven de uitspraken beperkt tot hun historische en culturele context (Schoorl et al., 2000). Hierdoor zijn bevindingen van het onderzoek niet te veralgemenen. Met ons onderzoek zoeken we aansluiting bij recovery research, “(…) that beliefs that relevant knowledge comes from people with lived experience, and that the central aim is to discover and interpret meaning rather than causality.” (Kristiansen, 2005a).

Op de wip van het methodisch dualisme tussen ‘Verstehen’ en ‘Erklären’, helt ons onderzoek naar de ‘verstehende’ methode.

 

We kozen bij deze scriptie voor kwalitatief onderzoek via interviews omdat deze methode volgens ons het beste aansluit bij onze onderzoeksvragen.

We vinden hiervoor bevestiging bij Gould (2006), die in zijn zoektocht naar een inclusieve benadering van kennis, onderzoek opdeelt in een kader met vier kwadranten (zie bijlage 2). Hij maakt gebruik van een holistische en non-hiërarchische verdeling via een kader, dat identificatie mogelijk maakt van kennis met zijn epistemologische basis.

De horizontale dimensie van het kader verwijst naar het verschil in methode tussen enerzijds ‘measurement’ (kwantitatief) en anderzijds ‘meaning’ (kwalitatief). De verticale as differentieert naar de eenheid van analyse of context tussen enerzijds ‘the individual’ en anderzijds ‘general’ (verwijst naar sociale of collectieve context). Deze dimensies vormen vier kwadranten (ideale types) die elk een fundamentele onderzoeksvraag inhouden. De kwadranten kunnen in elkaar overgaan en staan in interactie met elkaar. Gould (2006) schat alle kwadranten naar waarde om een ‘inclusive approach’ van kennis te bekomen en schept de mogelijkheid een epistemologie te onderscheiden.

We situeren ons onderzoek in het ‘Meaning-Individual’ kwadrant (inductive) met de fundamentele onderzoeksvraag “What are the experiences of and meanings produced by people who use or deliver services?” Deze vraag sluit heel sterk aan bij onze onderzoeksvraag. De dimensie van ‘meaning’ komt voort uit een hermeneutische traditie en sluit recent aan bij recovery research. Kenmerkende methoden bij dit kwadrant zijn etnografie, reflectie, participerende observatie en interviews; welke bruikbaar zijn voor ons onderzoek.

Doordat we ons onderzoek starten vanuit de praktijk en pas later aansluiting zoeken bij de theorie, sluiten we aan bij ‘Grounded Theory’ van Glaser & Strauss (Fossey et al., 2002; Whitley & Crawford, 2005).

 

In navolging van Wilson & Beresford (2002, p 156; zie ook Beresford & Wilson, 2002), vinden we het heel belangrijk ‘service users/survivors’ zelf aan het woord te laten. “The challenge we now face as mental health service users/survivors is to make it possible for our own critiques and discussions to develop and counter the dominance of existing medicalized and ritualized individual discourses.”

 

We zoeken aansluiting bij ‘werken’ vanuit een ‘sterkte perspectief’ (Saleeby, 2004), door ons onderzoek op te starten vanuit de praktijk. “It is truly ‘starting where the client is’ rather than ‘starting where the theory is’” (Blundo, 2004, p 39).

 

2.4.2      Uitwerking methodologie

We bespreken achtereenvolgens het opstellen van het interview, bekendmaken en verzamelen van de respondenten, plaats, verloop en moeilijkheden van de interviews.

 

Voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen, gebruiken we onderzoek via interviews. We baseren ons niet op bestaande vragenlijsten. In verschillende artikels die handelen over onderzoeksmethodologie in de geestelijke gezondheidszorg, is het gebruik van interviews één van de drie meest gehanteerde methoden, naast ‘focusgroepen’ en ‘participerende observaties’ (Murray, 1998; Fossey et al. 2002; Withley & Crawford, 2005).

 

a)        Interview

Interviews worden vaak gebruikt bij onderzoek waarbij voor de eerste keer ervaringen van mensen worden beschreven (Fossey et al., 2002). De bedoeling is data te verzamelen in de woorden van de respondenten zelf, zodat de onderzoeker een inzicht kan ontwikkelen hoe de respondenten een gedeelte van de realiteit zien (Bogdan & Biklen, 1998, p 94).

Ons interview bestaat uit vooraf bepaalde vragen (zie bijlage 3), met open antwoordmogelijkheden. We kunnen hier volgens ons niet spreken van het gebruik van een ‘interview guide’ (zoals vaak gebruikt bij semi-gestructureerde interviews), omdat we vasthouden aan de vooropgestelde vragen in plaats van vooropgestelde thema ‘s.

 

De vragen voor het interview worden na twee maand bezoeken (fase van participerende observatie) van Poco Loco opgesteld, met in het achterhoofd de onderzoeksvragen en de vorige bezoeken aan Poco Loco. Ik stel iedereen dezelfde vragen om het vergelijken van antwoorden mogelijk te maken. De vragen zijn open en peilen heel concreet naar ervaringen en meningen over Poco Loco.

 


b)        Bekendmaking en verzamelen van respondenten

Na het opstellen van de vragen, maak ik tijdens een vrijwilligersvergadering bekend dat ik start met de interviews en ik leg de aanpak ervan uit. Er ligt ook een brief met uitleg over het onderzoek aan de bar (zie bijlage 4).

We streven naar tien interviews met bezoekers. Het enige criterium om deel te nemen aan een interview is dat je bezoeker bent van Poco Loco. De deelname is op vrijwillige basis.

Mensen kunnen me zelf aanspreken als ze willen deelnemen. Er hangt ook een lijst omhoog waar mensen hun naam kunnen opschrijven als ze willen deelnemen. Achteraf blijkt dat deze lijst niet werd gebruikt.

Ik spreek ook mensen aan of ze willen deelnemen en op deze manier verkrijg ik de meeste respondenten. Zelf respondenten aanspreken was nodig omdat mensen bijna niet uit zichzelf de stap zetten om zich kandidaat te stellen.

Op Poco Loco zijn heel weinig vrouwen. Ik spreek deze wel heel bewust aan om deel te nemen en zo de stem van enkele vrouwelijke bezoekers mee op te nemen.

 

c)        Plaats interview

Mensen kiezen zelf de plaats waar het interview doorgaat. Acht van de tien interviews worden afgenomen in een klein lokaaltje in Poco Loco zelf. Op het moment van het interview is niemand anders aanwezig in dat lokaal. Twee van de tien interviews zijn bij respondenten thuis afgenomen.

 

d)        Verloop interview

Alle interviews worden opgenomen met een dictafoon. De toestemming van de respondent wordt steeds gevraagd. Een dictafoon wordt gebruikt om interpretatie van de onderzoeksgegevens in deze fase zoveel mogelijk te beperken. Het interpretatieproces begint al bij het observeren en horen van data (Fossey et al., 2002).

Alle vragen worden gesteld, respondenten antwoorden volgens eigen mogelijkheden en zijn niet verplicht op alle vragen te antwoorden.

Nadien wordt het interview letterlijk uitgetypt en de respondent ontvangt hiervan een exemplaar. Hij/zij leest deze na en corrigeert waar nodig. Om de authenticiteit van de onderzoeksgegevens te waarborgen, wordt de gecorrigeerde versie van de respondent gebruikt.

Een interview duurt tussen dertig minuten en één uur.

In bijlage 5 staan enkele opmerkingen van respondenten over hoe ze het interview hebben ervaren en wat ze ervan vinden dat hun ervaringen verspreid worden.

 


e)        Moeilijkheden interviews

De meeste mensen spreken pas af voor een interview nadat ze me beter leren kennen. Het valt op dat mensen met wie ik geregeld contact heb en samen ‘dingen’ doe op Poco Loco, sneller bereid zijn deel te nemen. Vandaar het belang van de vorige fase (participerende observatie) van het onderzoek.

 

Soms dagen mensen op het afgesproken moment van het interview niet op. Dit gebeurt om heel diverse redenen, zoals de afspraak vergeten zijn of zich die dag niet goed voelen. Met de meeste mensen lukt het om een nieuwe afspraak te maken, maar anderen duiken pas weken nadien weer op. Omdat ik bijna nooit over een telefoonnummer van mogelijke deelnemers beschik, moet ik heel frequent Poco Loco bezoeken om nieuwe afspraken te maken. Het regelen en afnemen van interviews neemt veel tijd in beslag.

 

Omdat mensen zich niet altijd even goed voelen (veel bezoekers hebben psychische problemen), is het moment dat ik naar een interview vraag heel belangrijk.

 

In sommige interviews zeggen respondenten kwetsende en harde dingen over andere mensen. Deze opmerkingen typ ik niet uit en worden zo gefilterd uit het onderzoek. Soms vertellen mensen heel persoonlijke zaken die geen verband meer houden met de gestelde vragen en de onderzoeksvragen. Deze neem ik ook niet op. Daarbuiten typ ik alles zo letterlijk en nauwkeurig mogelijk uit. Doordat ik het interview terugkoppel naar de respondent, krijgt hij/zij het laatste woord en blijven de gegevens authentiek.

 

 


3        Verwerking interviews

Voor de verwerking van de interviews plaatsen we eerst alle antwoorden per vraag. We analyseren per vraag de antwoorden en daarna halen we de grote lijnen eruit.

Omdat het weergeven van alle vragen met antwoorden te uitgebreid is, bundelen we de vragen in een aantal thema’s om meer overzicht te krijgen. Per thema clusteren we vragen die bij elkaar horen. Deze thema’s en vragen worden gestaafd met een selectie van citaten. We proberen zoveel mogelijk verschillende antwoorden aan bod te laten komen.

 

We relativeren de manier waarop we de data schikken. Voor ons is de structuur ondergeschikt aan de inhoud.

 

 

3.1      Waarom Poco Loco

De belangrijkste redenen waarom mensen naar Poco Loco komen.

Deze zijn: gezelschap, contact met gelijkgestemden en lotgenoten, ontspanning en tijdverdrijf. Je kan er jezelf zijn en je hebt er een veilig gevoel.

 

 “Ik kwam in de eerste plaats om nieuwe contacten te leggen en ik me verschrikkelijk eenzaam voelde. Ik weet ook moeilijk mijn weg in de gewone maatschappij.” (F)

 

“Twee jaar geleden ben ik hier toegekomen en was ik helemaal niet in staat om uit te gaan of naar een tennisclub te gaan.

Dankzij mijn huisdokter ben ik hier terechtgekomen – hij heeft Poco Loco gevonden op internet. Ik kwam net uit een instelling en ik vond hier gelijkgestemden. Dat was voor mij een hele geruststelling, een rust. Nu nog steeds. Ik ben nu goed, maar niet altijd even goed. Er zijn perioden dat ik minder ben en hier kan dat. De meeste mensen die hier komen hebben ook eens een periode dat het minder gaat en dan kunnen we elkaar terugvinden. We kunnen elkaar steunen en begrijpen elkaar zeer goed. Dat vind ik heel belangrijk aan Poco Loco.

 

Ik kom ook voor de rust. Nu ben ik stilaan rijper geworden naar de maatschappij toe. Ik zit ondertussen in een tennisclub, doe vrijwilligerswerk in een kringloopwinkel, … . Allemaal dingen die ik vroeger (voor ik naar Poco Loco kwam) niet zou gedaan hebben. Door die rust te vinden in Poco Loco, heb ik dat toch kunnen uitbouwen.

 

Het team is ondertussen veranderd. Vroeger werkten hier drie psychologen. Die mensen zijn heel geschikt om mensen op te vangen die om de een of andere reden hun weg nog niet kunnen vinden. In een doorsnee café verwacht je zoiets niet; daar houden ze geen rekening met hoe je het stelt. Hier is dat wel zo en dat geeft een zeer goed gevoel. Een babbel of eens ventileren kan hier, zonder dat zoiets therapie hoeft te zijn. Die mensen kunnen dat perfect.

 

Ze werken hier niet verstikkend. Dat vind ik ook heel bijzonder en belangrijk. Als je eens twee weken niet komt, gaan ze je niet opbellen waar je zit … ze laten je heel vrij.

 

De drempel is hier heel laag. Toen ik hier in het begin kwam, had ik direct het gevoel dat ik hier al jaren kwam. Je moet hier ook geen intake doen. Langzaam aan leren de mensen je wel kennen en vertel je over wat je meegemaakt hebt. Maar dat gebeurt helemaal niet overrompelend. Je blijft daar helemaal vrij in. In X moest je eerst van naald tot draad vertellen wat er allemaal gebeurd is. Hier kun je geheimhouden wat je wil. Ze gaan je hier niet uitvragen.

 

Voor mij is Poco Loco ook een heel interessante tijdsinvulling. Zeker toen ik hier in het begin kwam. Kort na mijn scheiding ben ik alleen in een studio geraakt en ik had niets, niets van bezigheden. Ik was heel depressief en hier vond ik een stuk tijdsinvulling waar ik me goed bij voelde. Ik ontdekte hier vrijwilligerswerk en ben op die manier in dat circuit van vrijwilligerswerk gekomen. Op die manier voel ik me ook nog nuttig en dat is een heel belangrijk aspect.

Iedereen kan hier vrijwilliger worden en ze gaan je niet pushen. Je wordt daar enorm voor gewaardeerd en dat is heel belangrijk. Een gewone werknemer die gaat niet op je schouder komen kloppen, maar hier krijg je erkenning. Je doet hier wat je wilt. Dat vind ik zeer positief aan Poco Loco.

Je leert hier ook andere mensen kennen.” (Fr)

 

“Eerst en vooral omdat ik hier vrijwilligerswerk doe. Ook omdat het hier goedkoop is om iets te drinken. En ook voor ‘compagnie’ en gezelschap te zoeken.” (K)

 

“Ik voel me hier wel goed. Ik vind dat hier wel goed van sfeer en ik ken al veel mensen die hier komen. En ik denk dat de mensen ook graag hebben dat ik hier kom. Dat ik iets kan betekenen voor andere mensen.

Zijn therapeutische waarde is ook belangrijk. Ik doe iets, bij de mensen, ik mag zijn wie ik wil. Niet dat het dikwijls het geval is, maar soms als ik mij een beetje minder voel, nemen de mensen dat ook aan. Je bent niet verplicht hier opgewekt binnen te komen. Ik mag mij gedragen hoe ik mij voel. Soms kom ik een beetje down binnen, dikwijls voor de relaxatie. En dan ben ik een uurtje bezig en dan voel ik me weer een andere mens. Dat helpt dus allemaal.” (L)

 

 

Redenen waarom bezoekers anderen zouden aanraden naar Poco Loco te komen.

Deze redenen verschillen. Het ontmoeten en leren kennen van andere mensen is belangrijk. ‘Voor de gezelligheid’ en ‘om weg te zijn van de dagelijkse sleur’ is ook van belang. Verder promoten mensen Poco Loco voor de activiteiten die er zijn en omdat het goedkoop is.

 

“Omdat je in de eerste plaats toch andere mensen leert kennen. Je leert hier ook andere culturen kennen en dat vind ik ook positief. Je bent ook eens weg van de dagelijkse sleur.” (F)

 

“Omdat het eerst en vooral goedkoop is. En omdat het geestig is om te leren kennen. Ik heb dat al aan mensen aangeraden en sommige zijn nog teruggekomen.” (K)

 

“Voor hun vriendelijkheid en hun begrip. Voor de gezelligheid ook, want het is er soms heel gezellig. Als ik de bar doe, zet ik kaarsjes en zet ik NicNacjes op tafel en wat chips. En dan zitten we allemaal samen en dat is gezellig. De mensen hebben niet altijd geld voor die dingen te kopen.

Binnenkort ga ik eens een rijsttaartje bakken voor Poco Loco.” (Mg)

 

 

Is Poco Loco op een goed moment in bezoekers hun leven gekomen?

De antwoorden variëren van ‘geen speciaal moment’ tot ‘op dat moment niemand of geen tijdsinvulling meer te hebben’.

 

“Ja, ja, want op het moment dat ik hier binnenstapte, had ik niets meer. Ik had geen vriendenkring meer. Ik wist niet waar naartoe. Het is op een goed moment gekomen. Ik leerde dat hier kennen en ik kon me hier bezig houden, helpen, mensen leren kennen. Het is op een moment gekomen dat ik met mezelf een beetje in de knoop lag. Ik had juist mijn drugsverleden achter de rug.

Ik ben hier goed opgevangen. Ik zat met veel vragen en ik kon er nergens met terecht. Hier heb ik sommige antwoorden toch gekregen van bepaalde vragen die ik had. Dat was heel positief.” (F)

 

“Ja, da wel. Ik kom hier nu al een tijd en dat valt goed mee. Het is niet op een speciaal moment gekomen, maar ik heb het gewoon leren kennen via Beschut Wonen.” (K)

 

“Voor mij wel. Ik bevond me al op een goed spoor, maar Poco Loco mocht al vroeger gekomen zijn. De psychiatrie bestaat al lang en dat ze daar niet vroeger op gekomen zijn, versta ik niet. In het begin kwam ik niet zoveel omdat ik toen veel werkte. Als ik wat meer tijd heb, kom ik meer.” (Kr)

 

“Ja, ik had echt nood aan terug iets in mijn leven te hebben. Ik had nood aan een invulling. En die is mij neig goed bevallen. Ik was content en heel blij. In de mate van het mogelijke, zal ik er zoveel mogelijk zijn. Ik voel mij goed als Poco Loco open is, dan heb je iets om naar uit te kijken. Ik heb 2,5 jaar vast gezeten in een rolstoel en het werd tijd dat ik iets had.” (Mg)

 

 

Hoe komen mensen bij Poco Loco terecht?

Mensen ontdekten Poco Loco vooral via andere organisaties, via vrienden/kennissen en via mond aan mond reclame.

 

“Ik ging naar dagtherapie in de Moester en daar was X. Hij vertelde me dat er Poëzie–avond was in Poco Loco en vroeg of ik eens kwam luisteren. En omdat ik zelf ook schrijf, ben ik hier naar toe gekomen en ik ben blijven komen. Die avond was enorm goed meegevallen, dat was vorig jaar.

Maar ik wist niet dat het bestond of waar het was. Dus in feite zou er meer bekendheid moeten rond gemaakt worden. Ik wordt af en toe opgenomen in een PZ en daar zouden ze dat moeten zeggen wat er allemaal is. Maar ze zeggen gewoon niet dat dit bestaat. In X weten ze dat ook, maar ze zeggen het ons ook niet. Wij zeggen dat tegen elkaar, onder patiënten. Verpleging of psychiaters zeggen ons dat niet. Je moet wel dagtherapie volgen, maar ze geven je geen adressen waar je naar toe kan.

Ondertussen zal mijn psychiater wel weten wat Poco Loco is, want ik vertel er altijd over en ik geef folderkes mee.

Als de mensen dat horen, zeggen ze:”aja ik wist niet dat het bestond en ik zou daar ook graag naar toe gaan.”” (L)

 

“Voor ik die stap gezet heb, heeft een tijdje geduurd. Die ringen waren van mijn benen en ik begon steeds beter te stappen. Ik had zoiets van hier zitten en zitten is ook niets. En altijd in het winkelcentrum gaan zitten is ook niets, daar had ik niets aan. Ik wou een andere invulling. S., van centrum X die vroeg waarom ik niet eens meeging met iemand die al naar Poco Loco ging (ging daar verven). Maar met mijn rolstoel op die kasseien was niet alles zenne. En dan ben ik niet meer geweest tot alles eraf was (van mijn benen). En dan vroeg S. nog eens waarom ik niet naar Poco Loco ging. Ik zei dat het mij die eerste keer niet was bevallen, maar ja, toen zat ik nog in die rolstoel. Dan was het moeilijk om naar ginder te gaan. Ze vroeg me om toch nog eens te proberen. Maar iedere week was er wel iets anders dat ik nog moest doen, dus ik geraakte daar niet. Tot op ne slag en ne keer dat ik zei “morgen ga ik naar Poco Loco”. S. zei dat ze me dat al lang hoorde zeggen. Ik heb dat dan echt gedaan. Ik ben dan op mijn gemak naar daar geweest. Ik wist het eigenlijk niet meer zo goed zijn, maar ik had het daar dan gevraagd waar het was. En ik ben daar binnen gestapt, een koffie gedronken, geluisterd wat er allemaal verteld werd, naar de kalender gekeken wat er allemaal te doen was en zo ben ik daar blijven gaan.

Ik had dan gevraagd naar een verantwoordelijke en gevraagd hoe Poco Loco in elkaar zat. En dan heb ik een hele uitleg gekregen en vertelden ze dat er kon gekookt worden en over meehelpen met de bar en ik wou dat eigenlijk wel doen. De week nadien ben ik al mee beginnen koken.

Ik voelde me daar goed bij. Als ge op café zit, dan zit ge daar cola te drinken en water en op den duur ga je daar buiten met een maag van comme ça (een klotsende buik). Maar op Poco Loco heb ik dat niet. Daar kan je eens rondlopen, in de keuken helpen, met de bar helpen. Er is altijd wel iets dat je kan doen.

Maar zo hele dagen aan dat tafeltje (bar van Poco Loco) daar zitten, dat kan ik niet. Ik kan ook niet lang op café blijven zitten. Ik drink dan een koffie en dan ben ik weg.

Hetgeen ze organiseren vind ik tof.” (Mg)

 

 


3.2      Betekenis van een aanloophuis

Wat betekent een aanloophuis voor bezoekers?

Ik vroeg de mensen algemeen op deze vraag te antwoorden. Het antwoord moest niet specifiek op Poco Loco gericht zijn.

 

Antwoorden varieerden van:

          Een deur die open staat; zonder drempel;

          Een ontmoetingshuis;

          Een plaats zonder verplichtingen, waar je komt als je er zelf behoefte aan hebt;

          Een plaats waar je jezelf kan zijn en geaccepteerd wordt.

 

“Een aanloophuis is als je nergens meer welkom bent, dat je weet dat daar nog een deur open staat. Een deur zonder criteria of drempel.” (Fr)

 

“Een aanloophuis is een ontmoetingshuis waar je mensen kan ontmoeten als je daar behoefte aan hebt.” (JP)

 

“Iedereen is er welkom. Het is al gebeurd dat ik hier binnenkom en juist geen geld heb. Ik kan hier ook aan de bar zitten, zonder iets te consumeren en gewoon met de mensen babbelen en een sigaretje roken. Dat kan hier.

Ik doe hier soms vrijwilligerswerk als barman. Normaal is dat tot acht uur. Maar het is al gebeurd dat ik telefoon krijg om zeven uur en dat ik eigenlijk weg moet. Daar maken ze dan geen probleem van.” (K)

 

“Dat je niet verplicht bent er naar toe te komen en dat ze het niet kwalijk nemen als je eens niet komt. Dat je mag komen als je zin en tijd hebt. Ik moet hier niet zijn. Ze zijn al blij als ik hier ben en ik ben niet verplicht hier te zijn. Dat is belangrijk. Anders is dat niet te doen. Dan zou ik niet graag komen … dan is gelijk naar school gaan.

Ik mag hier ook patiënte zijn; ik moet dat niet camoufleren. Zonder scheef bekeken te worden.” (L)

 

“Een ontmoetingsplaats, niet meer en niet minder.” (M)

 

“Een aanloophuis zou iets moeten zijn waar je vriendschap vindt, begrepen wordt en niet uitgelachen wordt.” (G)

 

 

Positieve en negatieve aspecten van een aanloophuis volgens bezoekers.

Respondenten konden hun mening kwijt over wat ze goed en niet goed vinden aan Poco Loco. De antwoorden op beiden vragen zijn heel gevarieerd. We geven hier kort een opsomming van zaken die mensen goed en niet goed vinden.

Goed vinden bezoekers onder andere: inbreng vrijwilligers, au sérieux genomen worden, goedkoop, verscheidenheid aan activiteiten, luisterend oor vinden, babbeltje slaan, respect en vriendschap.

Niet goed vinden bezoekers onder andere: weinig financiën, snel dicht in het weekend, soms trieste sfeer, weinig mensen van buiten psychiatrie, ervaren van stempel, niet iedereen is even plezant, soms moeilijk mensen voor activiteit te vinden.

We staven dit met citaten.

 

Goed …

 

“Ik vind het leuk dat er verschillende mensen zijn, met verschillende ideeën. Die verschillende ideeën worden ook naar voor gebracht.

Dat ze met vrijwilligers werken, vind ik ook goed. We hebben inbreng en onze mening wordt gevraagd. Ik vind dat ook noodzakelijk. Als je je inzet als vrijwilliger vind ik dat je ook inspraak moet hebben in bepaalde dingen.” (F)

 

“Het is altijd plezant om naar hier te komen. Er worden soms eens lollen getapt, ge kunt eens biljarten, ‘kickeren’, iets drinken, eens kaarten, … . Meestal valt dat hier goed mee.

Ik kom ook goed overeen met de begeleiding. Ze zijn altijd vriendelijk tegen mij en ik vind dat heel positief. Als je iets afspreekt met hun, zijn ze stipt op tijd. We hadden eens ergens afgesproken en ze waren er stipt. Je kan er op rekenen.” (K)

 

“Dat je eens kan babbelen met mensen, dat ik vind ik het belangrijkste.” (M)

 

“Vriendschap, respect, dat je al eens iets kan doen.” (Mg)

 

“Het basisidee vind ik goed. Voor het basisidee ben ik hier zolang bij gebleven. Het basisidee was een stap tussen psychiatrie en maatschappij.” (G)

 

Niet goed …

 

“Poco Loco heeft heel weinig financiële middelen om hun werking uit te bouwen en uit te werken. Dat vind ik jammer. Doordat die financiële middelen er niet zijn, kan je al minder reclame maken naar de buitenwereld toe. Je kan dan ook moeilijk andere mensen motiveren om naar hier te komen.

Ik vind het ook heel jammer dat de uren zo moeilijk liggen, vooral in de weekends. Veel jonge mensen hebben daar nood aan. Je hebt dan niets om de zaterdagavond naar toe te gaan[9].” (F)

 

“Dat er te weinig mensen komen van buiten de psychiatrie. Maar dat kan ook negatief zijn als er veel mensen van buiten de psychiatrie komen. Want mensen uit de psychiatrie worden scheef bekeken. Het kan ook slechte gevolgen hebben, moesten meer andere mensen komen. Misschien ontstaan dan rapper discussies en zijn mensen rapper op hun tenen getrapt.

Er zouden meer mensen mogen komen van buiten de psychiatrie, maar het is te zien wie en hoe dat het gaat. Sommige mensen kunnen niet tegen mensen uit de psychiatrie omdat ze raar doen. Mensen die komen moeten meegaan met de ‘spirit’.

Soms is daar strijd tussen. Er mogen meer mensen van buiten de psychiatrie komen, maar je weet niet of dat klikt … .” (Kr)

 

“De mensen soms. Soms kunnen er mensen een beetje ruzie maken. Niet iedereen komt altijd overeen en dan blijven ze weg voor elkaar. Maar dat is overal natuurlijk.” (L)

 

“Het ervaren van die stempel, waar ik juist over vertelde, vind ik eigenlijk het ergste.

Ik ben ervan overtuigd dat ik nooit meer ga opgenomen worden. Ik heb twee jaar tweedekansonderwijs gedaan en er iedere keer goed door geweest en nu volg ik een andere opleiding op hogeschool, waar ik ook iedere keer door de modules raak. Alles gaat goed. Maar ik heb nog altijd nood aan mensen die echt iets van hun leven willen maken. Veel mensen die naar hier komen die hebben hun er zo hard bij neer gelegd dat ze ‘sociale gevallen’ zijn. Ik heb de ambitie zelf mijn eigen geld te verdienen en zelfstandig te zijn. Die mensen leggen zich volledig neer bij hun situatie. Ik heb geen nood aan zo mensen. Ik heb nood aan mensen die misschien ook problemen gehad hebben, maar nu aan de betere hand zijn, of gewoon rond een project – zoals muziek – werken. Geen mensen die ‘total –loss’ zijn.” (M)

 

“Ik vind dat er niet te veel stagiairs meer mogen bijkomen. Het is nog altijd de bedoeling dat een vrijwilliger kan groeien in de werking.” (P)

 

“Vroeger was hier Jupiler aan een democratische prijs en nu niet meer. Dat heeft een splitsing teweeg gebracht. Ik ken veel mensen die niet komen omdat er geen alcohol geserveerd wordt.” (G)

 

 

Hoe voelen bezoekers zich op Poco Loco?

De meeste voelen zich goed, gerespecteerd en gelijkwaardig in Poco Loco.

 

“De ene dag wat beter dan de andere. Maar door den band kan ik hier mijn eigen zijn. Ik had gedacht dat hier meer vrouwen zouden gezeten hebben, maar blijkbaar is dat niet zo. Ik vind dat niet zo erg en ik heb hier ook al vrienden aan over gehouden.” (F)

 

“Ah ja, goed. Gelijkwaardig … Mensen respecteren elkaar en zijn vriendelijk voor elkaar. Als ik me niet goed voel, kan dat hier en ik ga dan ook anderen eens een knuffel geven als zij het moeilijk hebben.” (L)

 

“Goe, eigenlijk zeer goed. Ge voelt dat ge belangrijk zijt. Dat is aangenaam en meer moet dat niet zijn. Dan draag ik graag mijn steentje bij.” (Mg)

 

“Goed … . Ik voel me hier als mens goed omdat je hier je eigen kan zijn. Maar het is soms wel een beetje chaotisch. Het is een moeilijke structuur omdat je als vrijwilliger zo vrij gelaten wordt. Maar ik heb dat wel graag omdat ik door mijn pathologie niet altijd in de stemming ben om druk bezig te zijn. Maar als ze mij iets vragen zal ik het wel altijd doen.” (P)


3.3      Beeldvorming over Poco Loco

Welk beeld hebben anderen over Poco Loco?

Zowel een positief als een negatief beeld over Poco Loco wordt aangegeven. Bezoekers moeten vaak een negatief beeld over psychiatrie bijsturen.

 

“Ik heb twee goede vriendinnen en ik heb ze eens meegebracht naar Poco Loco. Maar ze voelden zich niet aangesproken door dit. Ze voelden er niets voor.

We worden vaak gezien als mensen die het in de maatschappij niet kunnen waarmaken. Soms komen mensen zich hier voorstellen om mee te werken aan een project en gaan ze er vanuit dat wij mentaal gehandicapt zijn.

Het beeld over ons is niet altijd wat het moet zijn. Wanneer ik bv. op café praat over mijn vrijwilligerswerk op Poco Loco, moet ik altijd mijn best doen om de mensen te overtuigen dat het hier geen gekkenkot is; dat hier mensen komen zoals u en ik.

Hier zijn ook mensen met een beperking, maar dat wordt dan snel veralgemeend. Veel mensen hier zijn trouwens heel creatief, zitten in muziek, in theater,… . Het is soms ongelooflijk hoeveel mensen met talent hier komen.” (Fr)

 

“Je hebt mensen die negatief zijn. Ze zeggen dat het hier triestig is en je kan hier geen alcohol krijgen. Er komen hier ook veel ex – patiënten van de psychiatrie en ze zijn daar een beetje tegen. Ze vinden dat niet leuk denk ik, maar ik weet niet waarom ze er tegen zijn. Maar er zijn ook mensen die een ander, positief beeld hebben. Die het goed vinden dat Poco Loco bestaat en dat je hier goedkoop iets kan drinken en eten.” (K)

 

“Dat varieert. Er zijn mensen die dat kunnen begrijpen dat je naar hier komt. En ge hebt mensen – het klootjesvolk – die daar met zitten te lachen.

Het is moeilijk een algemeen beeld te schetsen.” (M)

 

“Ik moet altijd aan de mensen uitleggen wat Poco Loco is. Sommige mensen denken dat het hier een zottekot is. Maar dat zegt veel over die mensen zelf natuurlijk.” (P)

 

 

Hoe goed is Poco Loco bekend in bezoekers hun omgeving?

Volgens de meerderheid is Poco Loco slecht gekend in hun omgeving, maar wel behoorlijk gekend in ‘de psychiatrie’.

 

“In mijn omgeving niet zo goed. Ik wist vroeger ook niet dat Poco Loco bestond. Er wordt weinig respons, reclame gemaakt. Omdat ik hier nu zelf naar toe kom, maak ik een beetje reclame. Maar ik denk dat weinig mensen Poco Loco kennen.” (F)

 

“In mijn directe omgeving weinig of niet. Ik denk dat het bij vele andere mensen ook zo is. In instellingen en organisaties waar we komen is het wel gekend, maar daarbuiten helemaal niet. Waarom? Ik denk dat er daarbuiten niet veel behoefte naar is en dat het daar niet van de grond zou komen.

Ik ga nu regelmatig uit op de Vlasmarkt en ik heb daar nog nooit een folder van Poco Loco zien liggen. De mensen zijn daar geen vragende partij. Wat dat betreft is het hier toch een beetje een coconnetje. Tegen mensen van buitenaf zeg ik bijna nooit dat ik naar Poco Loco kom. Niet dat ik daarvoor beschaamd ben, maar mensen hebben daar geen behoefte aan. Ze kennen het niet, maar het is ook een beetje een stigma. Poco Loco betekent een beetje gek en mensen willen daar niet met te maken hebben. Wat dat betreft is er een serieuze kloof. Zelf vind ik die kloof niet zo interessant.

 

Maar nu is er een zeer goed initiatief met Soiree Deluxe[10] en die mensen slaan wel een brug. Twee weken geleden ben ik daar naar toe geweest en daar waren mensen van Uilenspiegel[11], studenten, asielzoekers, andere mensen, … . Dat is de eerste keer dat ik meemaak dat andere mensen – die niet van de psychiatrie komen – hun weg naar zo een initiatief vinden. Hier in Poco Loco zijn zeker negentig procent van de mensen uit de psychiatrie. Maar tijdens een Soirée Deluxe is dat zeker fifty – fifty en dat vind ik zeer goed. Dat is eigenlijk nog een brug verder om meer naar de maatschappij toe te groeien omdat je daar veel mensen tegen komt die niets met de psychiatrie te maken hebben. Dat hebben wij ook nodig. Zo kunnen we ook eens over andere dingen praten.

Die mensen kom je dan ook daarbuiten eens tegen en dat geeft toch een beetje steun. Op die manier leer je een breder veld kennen.” (Fr)

 

“Niet … . De mensen weten toch niets over psychiatrie. Ze weten niet dat er open instellingen zijn en gesloten. Ze weten toch het verschil niet. Bij de mensen is dat nog altijd het zothuis en dat zal het altijd blijven zeker.

De wereld sluit zich af voor de psychiatrie. Je ziet er niet ziek uit, dus je zal wel niets mankeren. Ze doen altijd die avonden van ‘Kom op tegen kanker’, … wanneer doen ze eens iets voor de mensen die psychisch ziek zijn.” (L)

 

“Poco Loco is daar totaal niet gekend. Poco Loco is eigenlijk alleen gekend in de milieus waar ik vertoef. Mijn omgeving is de Moester en Poco Loco.

In mijn directe woonomgeving kennen ze Poco Loco totaal niet, maar in de Moester dan weer wel.” (P)

 

 

Stigmatisering kwam soms naar voor in de interviews. Hier volgen enkele opmerkingen.

 

§         “Ik  wil andere mensen leren kennen die niet met dat psychiatrisch verleden te maken hebben. Want hier zijn mensen die er altijd op hameren dat we psychiatrische patiënten blijven, maar ik wil dat niet. Ik wil echt van dat juk af. En dat lukt hier totaal niet.

Daarmee vind ik wel goed dat X naar hier komt om ook eens naar Victoria Deluxe te gaan en zo mensen van andere kanten te leren kennen. Maar ik ga daar niet altijd naar toe, omdat ik dan denk dat label te hebben van uit de Poco Loco te komen. En daar voel ik me dan ook niet altijd goed bij.”

 

§         “‘Bestempelt’ ergens. Niet onder de mensen hier. Maar bijvoorbeeld op de poëzie–avond – als er ook andere mensen komen – dan bekijken de mensen je. Misschien zit dat meer tussen mijn hoofd, maar zo voelt dat wel. Soms zijn de gesprekken heel leuk en dan voel ik me wel een mens en op andere momenten totaal niet. Hoe meer en gevarieerd volk hier is, hoe beter voor mij.”

 

 

3.4      Activiteiten

Wat vinden bezoekers van de activiteiten van Poco Loco?

Hieruit blijkt dat er een verscheidenheid aan activiteiten is, waarbij ieder kiest waaraan hij/zij wil deelnemen.

Er blijkt ook dat vaak weinig mensen deelnemen aan een activiteit. Maar dit is geen reden om de activiteit niet te laten doorgaan.

 

“Ik denk dat Poco Loco in wezen alle problemen van mensen moet proberen oplossen. Er kan vanalles gedaan worden en iedereen kan voor zijn eigen vreugde putten uit datgene waar ge volgens uw persoonlijkheid bekwaam bent. Ik kan dat natuurlijk niet voor anderen bepalen, want we blijven een individu die zijn richting in het leven moet zoeken.

Poco Loco kan zingeving geven aan het leven van mensen en trachten die zingeving te bewerkstellingen door dingen aan te kaarten waardoor toch de pijnpunten waarin een individu te kort schiet, om bijvoorbeeld actief mee te draaien met de maatschappij, geactiveerd worden.” (JP)

 

“Ik vind die heel goed. Maar ik doe er niet zo veel aan mee. Bij Beschut Wonen doe ik ook activiteiten en ik kan niet aan alles mee doen hé. Ik kom het meest naar hier om eens op mijn gemak te zitten en minder voor de activiteiten.” (K)

 

“In het begin van Poco Loco werd gezegd dat het hier geen psychiatrie mocht zijn. Maar dat schildersatelier en klei bewerken is zoals in de psychiatrie. Dat is dus niet volgens de doelstellingen. De doelstellingen waren meer vormende activiteiten en de mensen bewust maken.” (G)

 

“Ik vind het goed, hoewel ik niet aan alles deelneem. Maar ik vind het wel goed dat ze er zijn. Hoewel er niet zoveel gebruik van gemaakt wordt. Maar je weet nooit met de winter voor de deur. Als je goesting hebt kan je deelnemen en het kost ook niets. Er wordt ook niet gekeken naar de hoeveelheid deelnemers. Veel of weinig maakt niet uit.” (Mg)

 

 

Wat doen bezoekers voor Poco Loco?

Het valt op dat mensen fier zijn op wat ze doen voor Poco Loco. Verschillende zetten zich in als vrijwilliger, andere zijn een luisterend oor voor iemand anders. Mensen hechten vaak veel belang aan hun inbreng.

 

“Ik wil me hier echt als vrijwilliger inzetten. Ik volg de vergaderingen op, maar omdat ik nu werk kan ik er niet aanwezig zijn. Als er iets georganiseerd wordt, help ik altijd (eten klaarmaken, afwassen,… ). Ik sta regelmatig achter den bar. Ik doe zo een beetje vanalles. Ik wil me wel sociaal engageren.” (F)

 

“In het begin deed ik hier veel taken en ik heb dat een jaar gedaan. Maar als ik zie dat het door anderen wordt uitgebuit, stop ik daarmee. Ik heb dan besloten meer tijd thuis door te brengen en zo meer te genieten. Ik kan doen wat ik wil, ook al heb ik een beperkt inkomen. Het feit is wel dat ik geniet van het leven zonder specifiek afhankelijk te moeten zijn van Poco Loco. Maar ik keer Poco Loco zeker de rug niet toe, omdat het in wezen een prachtige structuur is.” (JP)

 

“Ik hang het briefje met de maandelijkse activiteiten uit op het bord van Beschut Wonen. Ik maak reclame voor Poco Loco. Soms spreek ik met mensen en vrienden – die Poco Loco niet kennen – hier af.” (K)

 

“In mijn eerste fase voelde ik mij meer geëngageerd om iets te doen. Maar nu voel ik me niet meer zo geëngageerd om iets te doen. Behalve eens afwassen of mee helpen koken. Ik voel me er niet honderd procent bij, dus ik kan me niet goed engageren. Ik ben niet verplicht naar hier te komen en ik doe het mezelf aan naar hier te komen. Ik zal Poco Loco waarschijnlijk nog een tijd nodig hebben voor ik ergens anders tot mijn recht kom.” (M)

 

 

Wat kan volgens bezoekers meer gebeuren op Poco Loco?

Hieruit kwam onder andere de vraag naar meer (dag)uitstappen, sportactiviteiten en fuiven. Ze willen ook meer reclame maken voor Poco Loco en dat meer mensen van buiten ‘de psychiatrie’ komen.

 

“Poco Loco bekend maken. Op de vrijwilligersvergadering hebben we hier ook al over gepraat. Er zijn nu mensen bezig dit in goede banen te leiden. X (stagiaire) gaat samen met mensen van ons contacten leggen in andere organisaties. Bijvoorbeeld in Y (psychiatrisch ziekenhuis) zoekt ze mensen van ons die met haar meegaan om in Y contacten te leggen. Daar ter plaatste mensen warm maken voor Poco Loco en folders achter laten. Ik heb ondertussen contactpersonen gezocht in de kringloopwinkel, het wijk gezondheidscentrum en mijn psychiater. Deze mensen kunnen dan andere mensen over Poco Loco informeren. X heeft de coördinatie van dit initiatief op zich genomen. Het is de bedoeling een spontane doorverwijzing op gang te krijgen. Als mensen ergens een gezicht kunnen opplakken en rechtstreeks over iets horen, heeft dit zeker effect.

Ik heb op de vrijwilligersvergadering ook gezegd dat we nog te weinig folders hebben. We hebben afgesproken om voldoende folders na te laten bij de mensen die we aanspreken als contactpersonen.

Omdat we op de vrijwilligersvergadering steeds met dezelfde mensen zitten, komen we steeds op dezelfde activiteiten uit. Het zou goed zijn als er eens andere mensen naar de vrijwilligersvergadering komen om zo de denktank te verruimen en te stimuleren. Nieuwe gezichten geven misschien nieuwe ideeën.” (Fr)

 

“Voor mij zouden er meer optredens mogen gebeuren of een fuif. In feite wordt er al genoeg gedaan en de mensen moeten er willen naar toe komen. Uitstappen ook.” (L)

 

“Die doorstroming voor mensen die hier maar tijdelijk komen. Helpen zoeken naar andere organisaties … activering noemen ze dat zeker … .

Moest er een meer gevarieerd publiek komen, met mensen die minder berusten in hun situatie, dan zou ik er minder problemen met hebben dat ik naar hier kom. Dan zou mijn stempel anders worden. Nu gebeurt dat enkel eens op een poëzie –avond dat ander volk komt. Anders komen altijd dezelfde mensen. (M)

 

“Ik weet niet direct iets. Ik vind het goed hoe het nu is.” (Mg)

 

 

Wat zijn bezoekers hun bezigheden naast Poco Loco?

Hier volgen enkele voorbeelden.

 

“Voor het moment is dat heel weinig. Televisie kijken, voetbalwedstrijden bijwonen en veel familiebezoek. En ik werk drie dagen in de week in de kringloopwinkel.

Mijn dagen zijn goed gevuld, maar juist in de weekends zou ik me nog wat meer willen engageren en zoek ik nog wat bezigheid.” (F)

 

“Ik doe relaxatie, ga schilderen, kom naar Poco Loco en de Moester. Ik ga ook naar mijn psychiater en in het weekend ga ik meestal naar de zee. Ik volg ook nog een cursus muziek beluisteren. ’s Avonds werk ik soms als model, om te poseren. Ze bellen me daarvoor. Ik ben dus altijd bezig, meestal met creatieve zaken.

Voor ik naar Poco Loco kwam, waren mijn dagen nog niet zo goed gevuld.” (L)

 

“Werken, sporten. Ik fiets, loop, zwem en voetbal, … dat zijn de voornaamste sporten. Ik doe ook mijn huishouden. Ik ga al eens bij mijn ouders en bij vrienden langs. Soms ga ik op café en eens naar een fuif.” (Kr)

 

 “Ik heb niet veel bezigheden in feite. In Beschut Wonen help ik mee met activiteiten. Afwassen, afdrogen, de tafel zetten, gaan winkelen, kuisen op de donderdag, meehelpen met koken. Soms doe ik eens mee met een activiteit zoals gaan wandelen, naar de cinema, een museum bezoeken. Ik ga ook regelmatig eens bij mijn moeder of bij vrienden.” (K)

 

 


3.5      Professionelen …

Wat verwachten bezoekers van professionelen?

Mensen verwachten van de begeleiding vooral een luisterend oor, dat ze hen respecteren en dat ze de zaken mee in goede banen leiden.

 

“Dat ze vriendelijk zijn. Ze vragen al eens hoe je u voelt als je binnen komt. Als het dan eens wat minder was, kon ik dat ook zeggen. Een luisterend oor. Vroeger was dat nog meer dan nu. Maar met al die personeelswissels moet dat terug in zijn plooi vallen. Het is heel belangrijk dat iemand dat eens vraagt. Ik voel me vaak niet goed en het feit dat je dat al eens kunt zeggen, kan je ook al geholpen zijn.” (L)

 

“Dat ze er zijn voor ons, een luisterend oor hebben en onze privacy respecteren. Dat ze vriendelijk zijn en al eens een spelletje meespelen. Moesten ze hier niet zijn, het zou niet lukken. Wie zou het dan in goede banen leiden.” (L)

 

“Dat ze eens luisteren als je met iets zit of dat je kan praten met hen. Dat ze de boel hier in goede banen begeleiden, als het hier niet in het honderd loopt. Dat ze zaken in gang steken; projecten of uitstappen. Dat ze voorstellen doen en geëngageerd zijn. Ze mogen ook niet alles bepalen.

Ik voel rap dingen aan; wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen hulpbehoevende en hulpverleners en als mensen je vanop een bepaalde hoogte bekijken. Maar hier valt dat heel goed mee vind ik. Vroeger was hier een begeleider die nogal uit de hoogte deed en dat vond ik niet leuk. Maar nu is er begeleiding die al eens leute kan maken en ook begripvol is. Ze stellen zich niet op een schavot. Het stoort me als iemand dat wel doet. Als iemand van de begeleiding zou lachen met iemand, voel ik me meer betrokken bij de mensen waarmee gelachen wordt; ik ben hier ook een bezoeker. Zoiets stemt me niet gelukkig en raakt.” (M)

 

 

Welke positie nemen professionelen in bij Poco Loco?

Hier werd heel divers en overwegend positief op geantwoord. Antwoorden waren een begeleidingsgevoel, een moeder-vader positie, beschermend, aanvoelend, niet opdringerig, behandelen mensen gelijk, nemen goede initiatieven, houden werk en privé gescheiden.

 

“Ik heb daar een begeleidingsgevoel bij. Ze maken dat er hier toch een beetje een gezag is van begeleiding, voor als er iets zou gebeuren, dat er toch altijd iemand beschikbaar is. Voor de ene is dat een positief ding en de andere voelt zich daar dan wat minder bij. Persoonlijk voel ik me daar wat minder bij. Ik hoor niet graag: “wij zijn de begeleiding en jullie zijn de vrijwilligers, de klanten”. Ik vind dat het één geheel zou moeten zijn. Maar dat is mijn eigen mening daarover. Ik heb daar ook geen bezwaar tegen. Vroeger in X (arbeidszorgcentrum) werd ons ingepeperd dat we allemaal personeel waren, medewerkers. En dat vind ik een betere benaming. Hier voel ik nog een beetje onderscheid tussen personeel en vrijwilligers.” (F)

 

“Een beetje beschermend vind ik. Als ik soms een beetje overdreven ben ik mijn reacties, zullen ze me wel intomen. Dat ik niet lossla. Ze voelen dat hier goed aan.

Maar de begeleiding valt hier niet op. Als je hier binnen komt, weet je niet wie, wie is. De mensen denken soms dat ik hier ook werk. Tijdens ‘boterhammen’ op Poco Loco wist ook niemand dat ik patiënte was. Ik vind dat niet erg. Dat heeft ook te maken met gelijkwaardigheid. Ik was toen ‘L’.” (L)

 

“Ze zijn er en dat geeft een goed gevoel dat ze er zijn. Je hebt geen verplichtingen tegenover hun. Het is altijd vrijwillig als je iets doet en ze dringen dat niet op. Dat vind ik tof dat je zelf kan zeggen dat je iets wil doen.” (Mg)

 

“Ze stellen zich goed op, zijn zeer enthousiast, staan voor vanalles open en nemen goede initiatieven. Maar een minder kantje vind ik – dat is wel begrijpelijk van hun kant, maar ik heb daar soms moeilijk mee – is dat ze hun privé-leven volledig afschermen. Ik vind dat soms spijtig, maar dat is een gegeven dat verbonden is aan de sector. Ook met relaties is dat. Ge gaat bijna nooit tegenkomen dat een (ex)-psychiatrische patiënt een relatie heeft met iemand die werkt in die sector. Terwijl je mekaar dus eindeloos graag kunt hebben… .” (P)

 

 

3.6      Vriendschap …

Wat herkenen bezoekers van ‘vriendschap’ in Poco Loco?

Deze citaten vertegenwoordigen de verschillende antwoorden die gegeven werden.

 

“Ik ben bevriend met A tot Z. Ongeacht wat mensen zijn of waren. Of ze nu holebi zijn of niet. Ik zal toch hen trachten te zien als mensen die verdienen te leven; want de enige die het recht heeft te oordelen is degene die hierboven woont.

Ik verdrink nooit en ik zoek mensen op om eens een babbel mee te voeren. Met psychiatrische patiënten lijkt die babbel vlugger aan te slaan dan bij mensen van de maatschappij. Als je een mens van de maatschappij aanspreekt en je neemt vijf minuten van zijn tijd, zal hij al op zijn uurwerk beginnen kijken wanneer je weg bent. Vele mensen zijn eilandjes geworden.” (JP)

 

“Dat veel karakters ondereen toch wel vrienden onder elkaar kunnen zijn. Hoe meer vrienden, hoe meer vreugde. Iedereen zegt zijn ding en als we niet overeen komen zwijgen we erover.” (Kr)

 

“Ik vind aan Poco Loco positief dat hier soms mensen komen waarmee je bevriend raakt. Dan doe je daar andere dingen buiten Poco Loco mee. Zo heb ik X hier toevallig leren kennen. Nu trek ik redelijk veel met hem op en ga al eens uit met hem. Dat is echt een goede maat geworden. Hij komt hier niet veel, maar we hebben elkaar hier ontmoet. Dat is zeker een beweegreden om naar hier te komen. Om het toeval te laten spelen, mensen te ontmoeten en samen dingen te doen.

Ik ken overal wel mensen. Ik zou graag een vast kliekje hebben, maar dat is niet simpel. Soms vind ik het jammer dat bijvoorbeeld ‘stagiairs’ zich afschermen als je vraagt om samen iets te doen. Het zal misschien zijn omdat ze het veel te druk hebben. Maar soms denk ik dan dat ze achterdochtig zijn omdat ik naar hier kom of weer die stempel van ex – psychiatrische patiënt een rol speelt.” (M)

 

“Daar heb je echt wel vriendschap van de mensen en van de begeleiding. Zelfs nieuwkomers beginnen direct met je te praten.” (Mg)

 

“Dat vind ik moeilijker. Ik zal hier rapper vriendschap maken met de begeleiding dan met de mensen zelf. Ik weet nooit hoe de mensen mij hier zien. Ik zal wel rap sociaal contact leggen. Maar bij mij is die drempel van het eerste contact met iemand leggen groot. Daar heb ik het wel moeilijk mee. Met begeleiding leg ik rapper contacten. Ik vind het dan ook jammer dat die contacten met begeleiding op een bepaald moment afgeremd worden. Langs de andere kant vind ik het logisch dat ze een bepaalde lijn trekken, maar ik vind het ook jammer. (F)

 

“Vriendschap hé, vriendschap. En het gevoel hebben dat je nog belangrijk bent en dat je nog iets kan doen voor andere mensen. Ik heb altijd gezegd dat als ik ooit terug deftig kan lopen, ga ik vrijwilligerswerk doen. Er hebben zoveel mensen dingen voor mij gedaan. Ik wil zelf ook mijn steentje bijdragen en dat moet allemaal geen geld kosten. Vriendschap kan je niet betalen, dat krijg je. Ik vind dat je veel vriendschap krijgt in Poco Loco. Dan is het voor mij een kleintje om eens te koken en naar de vergadering te gaan. Ik doe dat graag en ik weet dan wat er allemaal aan de hand is. Als er hulp moet zijn, dan sta ik klaar. Ik ben liever bezig dan er gewoon te zitten. Ik vind dat Poco Loco en de mensen die er komen dat wel verdienen. En als je dat kan, moet je dat doen. Ze geven mij vriendschap en begrip, dus waarom zou ik mijn handen niet eens uit de mouwen steken.” (Mg)

 

“Ik heb hier vrienden ja. Ik kan hier vrienden maken. We moeten hier een beetje vertrouwen in elkaar hebben. We weten van elkaar wat we mankeren en we moeten daar niet met te koop lopen. Ergens schept dat wel een band en geeft een gevoel van samenhorigheid. Wij tegen de buitenwereld.

Ik zet me zoveel mogelijk in voor de socialisatie van de psychiatrie. Op onze poëzie –avond waren er bijvoorbeeld veel mensen van buitenaf gekomen. Dat zou meer moeten gebeuren. Poco Loco kan een tussenstap zijn tussen ‘de buitenwereld’ en de psychiatrie. Het kan de grens breken. Daarom breng ik soms mijn zoon eens mee.” (L)

 

 


3.7      Gastvrijheid …

Wat herkennen bezoekers van ‘gastvrijheid’ in Poco Loco?

Algemeen werd geantwoord dat iedereen welkom is, iedereen wordt aanvaard zoals hij/zij is. Dat al eens iets gratis wordt aangeboden, is voor sommigen ook een teken van gastvrijheid.

 

“Iedereen is hier welkom en ze maken geen onderscheid tussen blank en zwart, tussen jong en oud, tussen lelijk en dik, tussen zieke en gezonde mensen, … .” (F)

 

“Soms zijn ze gastvrij en geven ze iets. Voor mij is gastvrijheid iets geven. De dinsdag tijdens de vergadering krijgen we gratis koffie, limonade en koekjes. Dat is gastvrij.

’s Avonds voordat Poco Loco sluit en er nog koffie in de kan is, krijg je die ook gratis. Soms krijgen we hier gratis zaken van de voedselbank.” (K)

 

“Iedereen is hier welkom. Soms wordt je iets aangeboden – zoals hierjuist een pannenkoek – en dat is ook gastvrijheid. Begeleiding die niet uit de hoogte doet, maakt het hier ook gastvrij. Wanneer ze eten van de voedselbank krijgen, zou een maaltijd wel wat goedkoper mogen.” (M)

 

“De mensen zitten met elkaar te praten en als er iemand binnen komt spreekt iedereen ertegen. Ik vind mijn eerste kennismaking ook goed. Er was direct iemand die me wat uitleg gaf en dat doet goed. Dat geeft een stimulans om terug te komen. Je wordt er goed ontvangen. Niet alleen de begeleiding doet dat, maar ook de andere bezoekers.” (Mg)

 

 

Wie mag volgens bezoekers naar Poco Loco komen?

Wat vinden bezoekers van de mensen die nu naar Poco Loco komen?

Ik vroeg hierbij of dit zo mag blijven of er verandering in moet komen. De meeste respondenten vinden dat iedereen naar Poco Loco mag komen. Maar de mensen die komen mogen niet lachen met anderen. Verschillende respondenten zeggen dat er meer mensen van buiten de psychiatrie moeten komen en dat er meer vrouwen naar Poco Loco moeten komen.

 

“Iedereen mag hier komen, vind ik. In het algemeen zijn dat goeie en spontane mensen. Ik dacht eerst dat de mensen meer gesloten zouden zijn, maar ze zijn redelijk open. Dat vind ik wel goed.

Hier wordt ook niet gekeken naar “jij hebt die handicap en jij hebt die ziekte”. Er wordt niet naar je gekeken als je mank loopt of in de psychiatrie gezeten hebt. Ik vind het goed dat daar niet naar gekeken wordt. Je komt hier binnen en iedereen zegt ‘hallo’ en automatisch begin je dan zelf ook te babbelen en elkaar beter te kennen. Ja, met de ene schiet je beter op dan met de andere, maar dat is overal.” (F)

 

“Een tijdje geleden hebben we hierover gepraat in de vrijwilligersvergadering. Binnenkort willen we eens filosoferen over Poco Loco. Ook over wie hier welkom is en wie hier komt. In de vergadering besloten wel al snel dat we geen criteria konden stellen. Als je op je gemak voelt en thuis voelt, dan ben je welkom. Mensen hoeven niet van de psychiatrie te komen. Gelijk welk probleem je hebt of mensen die helemaal geen problemen hebben! De mensen die nu komen zijn grotendeels van de psychiatrie. Maar we zouden hier graag meer mensen zien die niet van de psychiatrie komen. Zo kunnen we ook onze blik verruimen. Het is zeldzaam die iemand komt van buiten de psychiatrie en dat hij/zij blijft komen. Ik weet niet hoe dat komt. Het zou goed zijn als Poco Loco niet meer gekend is als een gekkenkot, maar als een heel brede werking. Naarmate Poco Loco langer bestaat, wordt het wel breder, maar het mag nog meer.” (Fr)

 

“Van mij mag iedereen naar Poco Loco komen. Ik vind de mensen die nu naar Poco Loco komen goed, maar het zou plezant moesten we eens wat meer nieuwe gezichten zien. En meer vrouwen mogen ook komen.” (K)

 

“Je kan moeilijk een selectie maken hé. Poco Loco zou ook meer gekend moeten zijn voor mensen die niets met de psychiatrie te maken hebben.

Ik weet niet of ik dan nog zoveel zou komen. Het is ook ergens een veilige haven.” (L)

 

 

3.8      Andere initiatieven …

Welke andere initiatieven zoals Poco Loco ken je?

Respondenten vernoemen Sjapo, Kompas, Habbekrats, de Moester, de Loft en de Zigzag. Organisaties die de mensen kennen, zijn meestal organisaties waar de mensen ook komen.

 

“Jawel, de Moester en de Sjapo. In de Sjapo ga ik af en toe eens binnen, maar het doelpubliek is helemaal anders. Je voelt dat direct. Ik voel direct dat ik daar niet thuis hoor, omdat het een heel ander publiek is. De activiteiten en de mensen die daar werken zijn anders gericht. Je voelt dat direct aan. Volgens mij komen daar mensen die het heel moeilijk hebben en die zich waarschijnlijk moeilijk kunnen handhaven in de maatschappij. De Moester is ook zoiets – maar zit tussen de Sjapo en Poco Loco. Soms ga ik eens naar daar, als het bv. vrij podium is. Verschillende mensen van Poco Loco gaan ook naar daar en hebben dan graag dat je eens komt kijken. Omgekeerd is dat ook zo. Mensen van Sjapo en de Moester zijn hier ook welkom. Maar de doelpublieken zijn toch anders.

Soms werken we ook samen met die organisaties. Ten slotte zijn we allemaal mensen die het in een bepaalde periode in ons leven moeilijk hebben. We willen een plaats waar we op ons gemak zijn en je kan hiervoor bij alledrie terecht.” (Fr)

 

De Loft en de ZigZag ken ik ook. In de Loft zijn we al eens gaan voetballen. De Loft deed me meer denken aan de psychiatrie dan aan een aanloophuis. De ZigZag ken ik eigenlijk niet.” (Kr)

 

“De Moester. Caritas ook, maar dat is helemaal anders. Ik was daar verplicht altijd te komen en drie keer in de week en van ’s morgens negen uur tot ’s namiddags vier uur. Ook in de vakantie. Dan moest ik opvang beginnen zoeken voor mijn zoontje. Praktisch gezien was dat niet haalbaar. De Moester is overdag en ook heel anders. Hier vind ik meer structuur en in de Moester loop je verloren. Daar is het chaos en wanorde en ergens heb ik een beetje structuur nodig. Anders loop ik verloren in mijn eigen chaos.” (L)

 

“Ik ben eens in Sint-Niklaas naar de ZigZag geweest, maar daar zou ik niet graag gaan. Dat is zo psychiatrisch aangepakt. We gingen daar pannenkoeken eten. Ik kwam daar een begeleidster van vroeger in de psychiatrie tegen en die vroeg hoe het was. Ik vertelde iets en die begon direct dat ik meer structuur in mijn leven moest krijgen en dat ik terug mocht komen als het niet meer ging. Dat wordt in Poco Loco dus niet gedaan en daar ben ik heel content voor. Dat was echt het gevoel geven dat je een psychiatrische patiënt was. Ik voelde me toen niet echt op mijn gemak. Het is een groot verschil met Poco Loco. Het is daar een beetje te sjiek” (Mg)

 

“Ja, de Moester, hoewel dat een dagcentrum is. Poco Loco is nog altijd vrij uniek in België. Als je de openingsuren bekijkt toch. Maar ik moet eerlijk toegeven dat ik de ene keer liever naar de Moester ga en de andere keer liever naar Poco Loco. Dat is zeer eigenaardig. In Poco Loco is het soms nog iets te afhankelijk van de psychiatrie. De Moester is gewoon een andere sfeer. Ik kan het moeilijk zeggen. Ik vind Poco Loco wel goed omdat het toch iets gestructureerder is.” (P)

 


4        Discussie

 

Voor de discussie koppelen we eerst terug naar de hoofdthema’s uit de verwerking van de resultaten. Naast de onderzoeksdata voeden we de discussie met onderzoeksliteratuur en opmerkingen uit ons logboek. Het logboek komt voort uit de fase van participerende observatie.

Daarna bespreken we de beperkingen van het onderzoek.

 

 

4.1      Discussie onderzoek

a)        Waarom Poco Loco

Uit de interviews blijken mensen het meest te komen om andere mensen te ontmoeten en voor ontspanning. Uit het onderzoek van De Rick et al. (2003) – voor het opstarten van Poco Loco -, bleken dit ook de belangrijkste redenen waarom mensen naar een aanloophuis zouden komen.

Uit de theoretische inleiding blijkt echter empowerment een heel belangrijke doelstelling te zijn voor drop-in centers of aanloophuizen.

McLean (1995, p 1061) bevestigt in haar onderzoek dat de meeste mensen niet komen voor empowerment, maar om hun tijd te passeren en om andere mensen te ontmoeten (zie ook Kilian et al., 2001). Wanneer aan bezoekers de betekenis van empowerment wordt verklaard, vindt de meerderheid het wel heel belangrijk.

Mertens (2004) verwijst in haar thesis naar onderzoek waaruit blijkt dat mensen meest belang hechten aan ontmoeting en het sociale aspect. Ook uit haar eigen onderzoek in een aanloophuis in Sint-Niklaas blijken ‘iets te doen hebben’ en ‘sociaal contact’ heel belangrijke redenen om naar een aanloophuis te gaan. De meeste respondenten uit haar onderzoek ontdekten een aanloophuis via een hulpverlener uit de GGZ en (mede-)cliënten. Dit bevestigt het belang van mond aan mond reclame.

Uit ons onderzoek blijkt dat de redenen waarom mensen anderen Poco Loco zouden aanraden dezelfde zijn aan de redenen waarom ze zelf komen.

 

Tijdens enkele van mijn bezoeken maakte een bezoeker me duidelijk dat Poco Loco voor hem een drijfveer en motivatie is om eens buiten te komen.

 

X vertelt me waarom hij het de laatste tijd moeilijk heeft en er iets aan wil veranderen. In zijn verhaal komt naar boven welk nut Poco Loco voor hem heeft. “Het geeft je een reden om nog eens buiten te komen, je te wassen en proper te maken. Zo kom je nog eens onder de mensen”, zegt hij.

 (Logboek 25 oktober 2005)

 

Na de les sprong ik nog even binnen. Er zat wat volk rond de bar en iemand was aan het koken. X, waar ik laatst een serieuze babbel met had, zat er ook. Hij was met twee vrienden op de baan. Ze hadden al een wandeling achter de rug en kwamen nu eten op Poco Loco. X vertelde dat het hem al drie dagen na elkaar gelukt was om zijn huis eens te verlaten en onder de mensen te komen. Poco Loco is een goede motivatie om eens buiten te komen, zei hij.

(Logboek 9 november 2005)

 

b)        Betekenis van een aanloophuis

De betekenis die mensen aan een aanloophuis geven is heel divers; toch komen een aantal betekenissen vaak terug. Voor veel mensen is het belangrijk dat een aanloophuis een plaats is zonder verplichtingen.

In de survey van Mowbray et al. (2002, p 259) kwam naar voor dat de minimale voorwaarden van een drop-in center zijn ‘just be there and be open, or at best to have social-recreational activities’.

Dit vrije karakter van een aanloophuis staat tegenover het verplichtende karakter van andere initiatieven in de psychiatrie en zorgt voor een lage drempel.

 

Intakes worden niet afgenomen in Poco Loco en zorgen ook voor een lage drempel.

“De drempel is hier heel laag. Toen ik in het begin kwam, had ik direct het gevoel dat ik al jaren kwam. Je moet ook geen intake doen. Langzaam aan leren de mensen je wel kennen en vertel je over wat je meegemaakt hebt. Maar dat gebeurt helemaal niet overrompelend. Je blijft daar helemaal vrij in. In X moest je eerst van naald tot draad vertellen wat er allemaal gebeurd is. Hier kun je geheimhouden wat je wil. Ze gaan je niet uitvragen.”(Fr)

Uit de survey van Mowbray et al. (2002) blijkt dat in verschillende drop-in centers (in Michigan) wel intakes afgenomen worden. Maar meestal gaat het dan enkel om de naam en eventueel een adres.

 

Op verschillende momenten in de interviews geven mensen aan dat je op Poco Loco kan zijn wie je wil, gerespecteerd wordt en gelijkwaardig behandeld. Gelijkaardige resultaten vinden we in de survey van Chamberlin et al. (1996). Het volgende citaat komt uit onze interviews.

“Ik kom persoonlijk graag naar Poco Loco omdat ik hier graag vertoef en ik mezelf kan zijn. Ge wordt hier aanvaard, desondanks je handicap en je zit onder mensen die zo min of meer in dezelfde maatschappelijke situatie zitten als jezelf.”(P)

Vaak voelt een aanloophuis aan als een veilige haven. Uit etnografisch onderzoek van Parr (2000) blijkt dit een belangrijk aspect van een drop-in center te zijn.

 

Volgens Zeldenrust & Van Zuthem (1996) moeten dagbestedinginitiatieven vaak zowel een veilige thuishaven als een stimulerende omgeving zijn. Uit een grootschalig onderzoek in Nederland in DAC’s[12] (dagactiviteitencentrums), blijkt de meerderheid van de mensen te komen voor een sociale thuishaven en de ongedwongen en accepterende sfeer. De minderheid van de deelnemers van het onderzoek herkennen de springplankfunctie naar de samenleving van een DAC of wensen er geen gebruik van te maken (Van Hoof et al., 1999).

 

Mensen vinden het niet goed dat er weinig mensen van buiten de psychiatrie naar Poco Loco komen. Dit bespreken we bij het thema ‘gastvrijheid’. Ervaren van een stigma komt aan bod, bij ‘beeldvorming’.

 

c)        Beeldvorming over Poco Loco

Mensen geven in de interviews aan, dat ze het beeld over Poco Loco vaak moeten bijstellen. Poco Loco blijkt volgens verschillende weinig gekend in hun omgeving, maar goed gekend in het ‘milieu’ van psychiatrie. Dit kan aantonen, dat er nog een grote kloof is tussen de maatschappij en de ggz. Vermaatschappelijking is een proces met een heel lange weg.

Een doelstelling van Poco Loco is destigmatisering en een positieve bijdrage leveren aan de beeldvorming over mensen met psychische problemen. Een aanloophuis in de stad kan een bijdrage betekenen aan een betere verankering van deze mensen in de samenleving (Waterschoot et al., n.d.).

Tijdens de vrijwilligersvergaderingen kwam de bekendheid van Poco Loco geregeld aan bod. Bezoekers brengen het gebrek aan bekendheid zelf aan en nemen zelf initiatieven hier iets aan te doen.

 

Eén van de respondenten geeft tijdens het interview duidelijk aan dat hij/zij zich ‘bestempeld’ voelt, zowel in Poco Loco als daarbuiten. Het ervaren van een stigma kan voor die persoon een reden zijn om thuis te blijven. In de theoretische inleiding verwezen we naar stigma als een barrière voor maatschappelijke participatie in Van Hoof et al. (2004).

 

Het valt op dat naar Poco Loco veel meer mannen dan vrouwen komen. Dit heeft zijn weerslag op dit onderzoek waarbij slechts twee van de tien respondenten vrouwen zijn.

“Vaak vragen mensen aan mij of Poco Loco een goede plaats is om een lief op te doen. Daardoor komen er natuurlijk weinig vrouwen naar hier. Door sommige bezoekers wordt soms lelijk over vrouwen gepraat. Dat kan niet vind ik.” (G)

 

Uit de survey van Mowbray et al. (2002) blijkt ook dat vrouwen sterk ondervertegenwoordigd zijn in drop-in centers.

 

d)        Activiteiten

Een beschrijving van de activiteiten van een drop-in center door Manning (2000, p 129) is heel vergelijkbaar met Poco Loco.

“The meal is planned, cooked and served by consumers with staff support. Holiday parties and rituals are held to help connect isolated individuals to a sense of community, an important source of empowerment. Activities such as shopping, joining a competitive athletic team and camping trips create opportunities for the personal and interpersonal development of empowerment. Consumer involvement in the planning and implementation of activities provides the opportunity for decisions, responsibility, skill building, leadership and contribution – all mentioned in the empowerment literature as important to empowerment.”

Het valt op dat achter deze verschillende activiteiten het activeren van een proces van empowerment schuilt.

 

Hierboven zeiden we dat de meeste mensen naar een aanloophuis komen voor ontmoeting en voor ontspanning. Uit een survey van Chamberlin et al. (1996) – bij programma’s die volledig gerund worden door bezoekers[13] – blijkt slechts de helft van de initiatieven te voorzien in sociale en recreatieve activiteiten. De meeste aandacht van de organisaties uit de survey gaat uit naar advocacy, ondersteuning bij tewerkstelling en oplossen van legale problemen. Of dit te maken heeft met het verschil tussen een ‘consumer-run’ en ‘consumer-involved’ organisatie (Mowbray et al., 2002) is niet duidelijk. Mowbray et al. (2005) herbenoemen ‘consumer-involved’ als ‘Clubhouse model’ en duiden nogmaals op de kenniskloof tussen deze modellen. In hun onderzoek werd wel aangetoond dat er een grotere betrokkenheid is van bezoekers in een consumer-run programma.

Kwee & Passanvanti (1999) benadrukken ook de grote betrokkenheid van de deelnemers in een cliëntgestuurd dagactiviteitencentrum in Nederland, als grote kracht van het initiatief.

 

In een recente survey van Holter & Mowbray (2005) blijken sociale en recreatieve activiteiten de meest aangeboden diensten. Verschillende drop-in centers bieden diensten aan zoals ondersteuning bij wonen, werk, vervoer en dagelijkse activiteiten (Chamberlin et al., 1996; Mowbray et al., 2002; Holter & Mowbray, 2005). Dit vinden we niet terug bij Poco Loco.

 

Uit sommige gesprekken tijdens mijn bezoeken, blijkt dat mensen een mening hebben over de werking van Poco Loco en belang hechten aan de taken die ze kunnen uitvoeren.

 

Bij de verdeling van de barman/vrouw, valt het op dat sommige mensen dit als een verworven positie zien en het moeilijk kunnen afstaan. Hun moment is voor hun! Maar uiteindelijk raakte alles weer ingevuld.

(Logboek 11 oktober 2005)

 

X wijst er tijdens de vrijwilligersvergadering op dat er wel veel ideeën zijn voor Poco Loco, maar dat het vaak moeilijk is mensen te vinden om iets in handen te nemen.

(Logboek 8 november 2005)

 

Van de mensen die ik interviewde, hadden sommige veel bezigheden buiten Poco Loco en andere weinig. Het leek alsof de mensen met veel bezigheden erbuiten minder afhankelijk zijn van Poco Loco. Maar om dit met zekerheid te zeggen is verder onderzoek vereist.

 

e)        Professionelen

De meeste respondenten zijn positief over de projectmedewerkers van Poco Loco. Ze voelen zich erdoor gerespecteerd en rekenen erop dat professionelen mee instaan voor de goede werking van Poco Loco. Uit het onderzoek van De Rick et al. (2003) bleek dat mensen een aanloophuis zien mét de ondersteuning van professionelen. Tijdens mijn vele bezoeken merkte ik niet dat mensen verder willen met Poco Loco zonder professionelen.

 

De rol van professionelen in het aanloophuis bestaat erin een context te creëren waarin de participatie van de bezoeker zich optimaal kan ontwikkelen. Daarbij wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke gelijkwaardigheid in de relatie tussen bezoekers en professionelen. Het is de bedoeling dat steeds meer taken door de bezoekers worden opgenomen (Waterschoot et al., n.d.).

 

In het theoretische stuk verwezen we naar het onderscheid tussen ‘consumer-run’ en ‘consumer-involved’ drop-in centers (Mowbray et al., 2002). Poco Loco plaatsen we eerder onder ‘consumer-involved’. Ondanks het feit dat mensen sterk worden betrokken en voor een groot gedeelte de werking van Poco Loco bepalen, is de dagelijkse leiding van het aanloophuis in handen van enkele professionelen. Bezoekers worden bijvoorbeeld niet opgeleid om leiding op zich te nemen. In de theoretische inleiding verwijzen we naar het onderzoek van Bentley (2000) waar mensen wel worden opgeleid, onder de vorm van ‘peer leadership training’.

Met recovery en empowerment in het achterhoofd vinden we het een uitdaging voor Poco Loco om in de toekomst te evolueren naar ‘consumer-run’.

 

Iemand zei in de interviews dat als je Poco Loco binnenstapt, het niet opvalt wie de professionelen zijn. Manning (2000) ziet dit als een positief teken dat een organisatie op de goede weg is. Wij zien dit als een teken dat bezoekers en professionelen op een gelijkwaardige manier samenwerken.

 

Manning (2000) zegt dat samenwerken van professionelen en bezoekers een mate van betrokkenheid creëert en het ervaren van een stigma helpt reduceren. Bezoekers krijgen op die manier de kans een individu te zijn in plaats van een diagnose. Samenwerken eist openstaan voor onderhandeling en respect voor de authenticiteit van de ideeën met wie wordt samengewerkt (Saleeby, 2004). Naast een mate van betrokkenheid, veroorzaakt samenwerken een gevoel van ‘strijdigheid’ (Kal, 2002). “It is the uncertainty, the not knowing, and maybe the unfamiliarity of relying on the client to take the lead, in giving direction to the work to be done, that is so uncomfortable” (Blundo, 2004, p 41).

Niet enkel de expertise van de professioneel geldt, maar evenzeer de ervaringsdeskundigheid van de bezoeker (Manning, 2000). Samenwerken is van belang voor recovery (Borg & Kristiansen, 2004) en voor het proces van empowerment.

 

In de interviews kwam een paar keer naar voor dat mensen het jammer vonden dat de band met begeleiding op een bepaald moment ophoudt. Er is blijkbaar een grens aan de verbondenheid. Baart (2003) zegt dat dit heel vaak het geval is bij professionals en probeert hieraan tegemoet te komen via zijn presentietheorie. De presentietheorie is ontstaan op basis van professioneel pastoraal werk in achterbuurten maar blijft daartoe niet beperkt. Karakteristiek voor de presentiebenadering is ‘er-zijn-voor’ de ander, in grote verbondenheid, door intens deel te hebben aan alledaagsheid. De presentiebenadering is een outreachende methode.

 


f)         Vriendschap

De meeste respondenten ervaren een ‘bepaalde’ vorm van vriendschap in Poco Loco. Zowel vriendschap onder de bezoekers, als vriendschap met begeleiding komt naar voor. Poco Loco blijkt een plaats te zijn waar je vrienden kan maken en waar je met vrienden kan afspreken. Soms gaan mensen die elkaar leren kennen op Poco Loco, samen uit.

Ondanks het feit dat Poco Loco een ruimte is om mensen te ontmoeten, is het voor sommigen moeilijk om contacten te leggen.

 

Als we denken aan het begrip vriendschap, zijn er volgens ons enkele knelpunten.

Wanneer mensen het hebben over vriendschap met begeleiding botsen we soms op de grens privé-werk. We reageerden hierboven, bij het gedeelte over professionelen en de opmerking over de presentiebenadering, op deze grens.

 

Opvallend veel (ex-)gebruikers van residentiële zorg verkeren in een sociaal isolement (Mennes, 1999, p 759; Driessen et al., 1999). Mensen missen achteraf vaak de contacten om de overgang van patiënt naar burger te maken (Van Erp & Geelen, 1997).

Doordat hoofdzakelijk mensen met een psychiatrische achtergrond naar Poco Loco komen, leren bezoekers weinig mensen kennen die niets met de psychiatrie te maken hebben. Een doelstelling van Poco Loco is een brug slaan naar de samenleving. We hebben de indruk dat die overgang naar de maatschappij heel moeilijk is en om dit te bereiken is er misschien meer nodig dan een aanloophuis. Van Hoof et al. (2004) bevestigt in een onderzoek bij DAC’s, dat de functie van dergelijk centra als opstap naar sociale en maatschappelijke participatie elders in de samenleving, minder goed uit de verf komt.

 

In het kader van ‘vriendschap’, zijn ‘maatjesprojecten’ of ‘vriendendiensten’ een ander belangrijk initiatief. Volgens Driessen et al. (1999) is het doel van deze initiatieven het verminderen van het sociale isolement van psychiatrische (ex-)cliënten, met behulp van een vrijwilliger, via alledaagse activiteiten. De essentie is dat mensen met een psychiatrische achtergrond gewone mensen zijn en worden aangesproken op hun mogelijkheden en sterke kanten (Mennes, 1999).

Volgens Van Erp & Geelen (1997, p 824) bleek uit peilingen onder (ex-)psychiatrische patiënten veel behoefte aan een vriend of vriendin om leuke dingen mee te doen. In Nederland bestaan verscheidene projecten (Van Erp & Geelen, 1997; Driessen et al., 1999) en in Vlaanderen kennen we in Gent, Dendermonde en Deinze het project Metawonen[14] (Mennes, 1999). Vriendendiensten of maatjesprojecten zijn ook een onderdeel van Kwartiermaken (Kal, 2002).

 

We halen deze methode aan omdat het volgens ons, naast een aanloophuis, een heel belangrijke manier van werken is, die mensen ondersteunt om opnieuw aansluiting te vinden bij de maatschappij, wat een belangrijke doelstelling is van vermaatschappelijking. Het is een manier van werken die aansluit bij recovery en empowerment.

Vriendendiensten of maatjesprojecten slagen er in mensen met en zonder psychiatrische achtergrond met elkaar in contact te brengen, wat een positief effect kan hebben op stigmatisering.

 

Een belangrijke opmerking tenslotte van Kwekkeboom (2004) is dat mensen met psychische problemen best graag willen integreren en erbij willen horen, maar ook heel graag hun lotgenoten opzoeken. Waarschijnlijk vanwege de herkenbaarheid van hun problemen, maar misschien ook voor de zekerheid en uit veiligheid. Deze opmerking sluit aan bij wat we vertelden over Poco Loco als veilige haven (zie ‘betekenis aanloophuis’) en dat mensen met psychische problemen weinig mensen kennen buiten de psychiatrie.

 

g)        Gastvrijheid

Tijdens de interviews vertelden verschillende bezoekers dat meer mensen van buiten de psychiatrie naar Poco Loco mogen komen. De voorwaarde is wel dat mensen respectvol zijn.

Poco Loco staat open voor iedereen, maar de meeste bezoekers zijn mensen met een psychiatrische achtergrond. Dit is grotendeels te verklaren door het feit dat Poco Loco is gegroeid uit een samenwerkingsverband van organisaties uit de GGZ.

In een recente survey van Holter & Mowbray (2005) bij 32 drop-in centers in Michigan, bleek de grote meerderheid van bezoekers een psychiatrische achtergrond te hebben.

Eén van de doelstellingen van een aanloophuis dat meermaals naar voor kwam, is een tussenstap te zijn tussen de psychiatrie en de samenleving. Om die tussenstap te maken is het bijna noodzakelijk in contact te komen met die samenleving. Dat contact komt niet zomaar. Een aanloophuis kan een ruimte zijn waar een eerste contact plaatsvindt.

 

In de schakel tussen psychiatrie en samenleving speelt vermaatschappelijking een grote rol (Onderwater, 1996). In de theoretische inleiding verwezen we naar Kwartiermaken van Kal, waarbij ruimte wordt geschept, waar mensen in hun ‘anders zijn’ kunnen verschijnen in de samenleving en waarbij onder andere grote inspanningen worden geleverd om mensen met en zonder psychiatrische achtergrond in contact te laten komen. Ervaringen van opbouwwerk spelen daarbij een heel grote rol (Onderwater 1996; Kal, 2002). Gastvrijheid kan ruimte maken voor ‘anders zijn’ bevorderen.

 

Poco Loco kent een moeizame evolutie in contact leggen met mensen van buiten de psychiatrie. Nochtans wordt de buurt regelmatig uitgenodigd op activiteiten van Poco Loco.

Een grote dualiteit speelt parten. Enerzijds wil een aanloophuis een schakel zijn tussen psychiatrie en samenleving en anderzijds wil het een veilige haven zijn. Een plaats waar mensen onder lotgenoten zijn, wordt vaak gezien als een veilige haven. In de interviews werd dit meermaals aangegeven als reden waarom mensen naar Poco Loco komen.

 

Maandelijks is er een filosofiewerkgroep op Poco Loco. Toen het thema ‘pijn’ was, kwam gastvrijheid aan bod.

Op een bepaald moment kwam de ‘gastvrijheid’ van Poco Loco naar voor als middel om pijn te verzachten. Een plaats waar al eens lief en leed kan gedeeld worden met mensen waar je een zekere band mee hebt.

(logboek 15 november 2005).

 


h)       Andere initiatieven

Alle respondenten kenden naast Poco Loco nog andere initiatieven en de meeste hadden deze reeds bezocht (frequentie was wel heel verschillend). Op één of andere manier komen de bevraagde bezoekers van Poco Loco in contact met andere mensen en met de samenleving. Dit wordt bevestigd door de survey van Chamberlin et al. (1996).

 

Vaak zijn drop-in centers ’s avonds open (Mowbray et al., 2002; Holter & Mowbray, 2005). Poco Loco ook. Open zijn, als andere initiatieven dicht zijn (vb. dagcentra) is van belang. Dit blijk uit het vooronderzoek van De Rick et al. (2003) bij de oprichting van Poco Loco.

 

 

4.2      Beperkingen onderzoek

De resultaten van de interviews mogen niet veralgemeend worden. Het gaat over bezoekers van Poco Loco. De respondenten van de interviews waren vooral de mensen met wie ik geregeld contact had. Andere bezoekers kon ik moeilijk motiveren om mee te werken. Ik probeerde dit wel via een brief, maar dit is een zwak instrument. Het is dan ook de vraag of de bezoekers van Poco Loco die ik niet interviewde, dezelfde meningen delen over Poco Loco als de respondenten.

 

De vragen van het interview zijn niet gebaseerd op bestaand onderzoek of bestaande vragenlijsten. Ik heb ze zelf opgesteld na twee maand Poco Loco bezocht te hebben. Ik heb geen bezoekers van Poco Loco betrokken bij het opstellen van de vragen. Voor ik begon met de interviews, heb ik de vragen wel aan een aantal bezoekers laten lezen en hun mening gevraagd. Niemand had toen opmerkingen over de vragen.

 

Ik heb geen respondenten betrokken bij de analyse van de onderzoeksdata. Respondenten betrekken bij de analyse is een belangrijk kwaliteitskenmerk van kwalitatief onderzoek (Fossey et al., 2002).

 


5        Conclusie

 

5.1      Terugkoppeling naar theorie

Wanneer we Poco Loco bekijken vanuit rehabilitatie en recovery, zien we dat Poco Loco balanceert tussen beide. Enerzijds werken bij Poco Loco professionelen die de mensen en de werking ondersteunen. Een aanloophuis tracht via ontmoeting en activiteiten de sociale integratie en inclusie te bevorderen en speelt hiermee in op de milieugerichte benadering (Dröes & Van Weeghel, 1994) van rehabilitatie.

Anderzijds staan bezoekers zelf een groot deel in voor de werking en gaan op hun eigen unieke manier om met een aanloophuis. Dit plaatsen we onder recovery.

We willen nogmaals benadrukken dat de inbreng van mensen in hun proces van recovery primeert op de rol die organisaties – zoals een aanloophuis – spelen. Farkas (1996, p 6) verwoordt dit voor ons op een treffende manier.

“The meaning of recovery, rehabilitation and integration is not about technique or facilities as the defining feature. It is about providing a comprehensive process that allows consumers to hope for a full live in their community, that takes hope seriously and then figures out what approaches turn those hopes into a reality.”

Organisaties kunnen zich zodanig structureren, zodat recovery ‘triggers’ aanwezig zijn (Anthony, 1993).

 

Empowerment en Poco Loco gaan sterk samen. Bezoekers hebben in een aanloophuis de ruimte om vanuit hun sterktes en interesses zelf veel zelf in handen te nemen. Poco Loco speelt in op een aantal aspecten van de ‘working definition’ van empowerment van Chamberlin (1997). Volgens ons kan/moet een organisatie niet aan alle aspecten van deze definitie voldoen. Deze definitie heeft volgens ons wel een groot nut als denk-, evaluatie-, en actiekader.

Voorbeelden waaraan Poco Loco tegemoet komt zijn: “having decision-making power”, “having a range of options from which to make choices” en “not feeling alone; feeling part of a group”. Maar andere punten zoals “understanding that people have rights” en “learning about and expressing anger” komen weinig of niet aan bod bij Poco Loco.

Welke aspecten van de ‘working definition’ van empowerment toepasbaar zijn, in welke mate ze toepasbaar zijn, welke aspecten meer moeten aan bod komen en welke aspecten niet moeten aan bod komen; zijn vragen die kunnen opgenomen worden in verder onderzoek.

Mowbray et al. (2002) zegt dat drop-in centers helpen bij het stijgen van empowerment, rehabilitatie en recovery. In welke mate dit het geval is bij Poco Loco vraagt verder onderzoek.

 

Eén van de doelstellingen van Poco Loco is een brug te slaan naar de samenleving. Om een gevarieerd publiek naar Poco Loco te krijgen of de buurt sterker te betrekken bij Poco Loco, kunnen technieken zoals community building (Kretzman & McKnight, 1993) aangewend worden. Kwekkeboom (2004) verwijst naar het belang van community building voor het versterken van mensen hun netwerken en het positief beïnvloeden van stigmatisering.

In het kader van vermaatschappelijking is het belangrijk buiten de oevers van de GGZ te treden. Manning (2000) zegt dat een community een ontmoetingsruimte nodig heeft en dat een aanloophuis daarin een rol kan spelen.

 

Een aanloophuis speelt een rol in de evolutie van patiënt naar burger. Maar om mensen die moeilijk bereikbaar zijn bij de samenleving te betrekken, zal meer outreachend werk nodig zijn (Michon & Kroon, 2002; De Rick et al., 2003). Bij outreaching biedt de presentiebenadering van Baart (2003) een interessante kapstok. “Some consumers are not ‘joiners’” merkt Bond (1994, p 47) op. Een aanloophuis is niet voor iedereen aantrekkelijk.

 

Poco Loco als aanloophuis vertoont regelmatig gelijkenissen met drop-in centers uit de rest van de wereld. Dit bleek uit verschillende overeenkomsten die werden vastgesteld bij ander onderzoek. Desondanks gelijkenissen heeft ieder aanloophuis of drop-in center een eigen uniek karakter.

 

 

5.2      Antwoord op de onderzoeksvragen en conclusies onderzoek

Het is bijna onmogelijk een eenduidig antwoord te geven op onze onderzoeksvragen. Uit de interviews blijkt dat iedere bezoeker op een unieke manier Poco Loco ervaart en er betekenis aan geeft. Dit wordt in het onderzoek bewezen door de grote verscheidenheid aan antwoorden. We proberen uit de interviews toch een aantal grotere lijnen te halen, wetende dat het een vereenvoudiging van de werkelijkheid is en indruist tegen de diversiteit aan antwoorden.

De onderzoeksgegevens zijn volgens ons vooral waardevol om een aanloophuis beter te leren kennen, te begrijpen en te zien door de bril van bezoekers zelf.

 

Wat betekent een aanloophuis voor bezoekers?

Ondanks de diversiteit in betekenisverlening, vatten we samen dat een aanloophuis een lage drempel heeft en een plaats is waar mensen zich gerespecteerd voelen. Mensen komen zonder verplichtingen en wanneer ze er zelf behoefte aan hebben.

 

Hoe ervaren mensen het bezoeken van een aanloophuis?

Uit de verscheidenheid in ervaringen trekken we een belangrijke conclusie: een aanloophuis geeft mensen de kans hun bezoek zelf vorm te geven. De vraag van de bezoekers primeert. Het aanbod van het aanloophuis werkt vraaggestuurd.

De manier waarop mensen hun bezoeken ervaren varieert in de tijd. Sommige mensen hebben Poco Loco meer nodig dan anderen.

 

Dat mensen Poco Loco kunnen gebruiken volgens hun eigen behoeften, zien we als een sterkte. Een zwakte is de brug –of springplankfunctie naar de samenleving. Maar dit spreken we uit met grote voorzichtigheid, want om deze zwakte aan te tonen is verder onderzoek vereist.

De nood aan diverse alternatieven – zoals vriendendiensten, outreaching, presentie, aanloophuizen, jobcoaching, casemanagement, … – en het debat over de evolutie en het nut van Zorgcircuits en Maatschappelijke Steunsystemen in het kader van vermaatschappelijking van zorg, treden sterk op de voorgrond bij de realisatie van een brugfunctie.

 

Mensen ervaren hun bezoeken overwegend positief. Dit is voor ons te verklaren omdat niemand verplicht is naar Poco Loco te komen en mensen met negatieve ervaringen weg blijven.

 

In de interviews werd ruimer gegaan dan de onderzoeksvragen. Ook de vele bezoeken aan Poco Loco leverden verscheidene inzichten. Daarom breiden we de conclusie uit met een aantal zaken naast de onderzoeksvragen.

 

Uit de theoretische inleiding blijkt dat een aanloophuis of drop-in center verschillende functies heeft. Ons onderzoek leerde dat ruimte bieden voor ontmoeting (vooral met lotgenoten) en voor activiteiten het meest tot uiting komt bij Poco Loco. Dit wil niet zeggen dat Poco Loco geen andere functies heeft zoals informatie geven, beeldvorming of destigmatisering en belangenbehartiging.

 

Door gebrek aan subsidies was de toekomst van Poco Loco in 2005 onzeker. Uit diverse literatuur blijkt dit een vaak voorkomend probleem van aanloophuizen of drop-in centers, die dikwijls projectmatig zijn opgezet en niet structureel worden ingebed (Onderwater, 1996; Zeldenrust & Van Zuthem, 1996; Van Erp & Geelen, 1997; Michon & Kroon, 2002; Van Hoof et al., 2004; Holter & Mowbray, 2005). Er is nood aan vaste financiering.

 

Naar Poco Loco komen hoofdzakelijk mensen met een psychiatrische achtergrond. Verschillende bezoekers zouden graag meer variatie in het publiek zien. Dit is een boeiende uitdaging waarbij een evenwicht moet gezocht worden tussen een veilige haven waar mensen lotgenoten kunnen ontmoeten en een ruimte die openstaat voor iedereen. De vraag waarom mensen die niets met psychiatrie te maken hebben of voldoende andere sociale contacten en bezigheden hebben naar een aanloophuis zouden komen, treedt hier naar voor.

 

Poco Loco werkt momenteel nog ‘consumer-involved’. Omdat Poco Loco een organisatie in beweging is en het de bedoeling is dat steeds meer taken door bezoekers worden opgenomen, kunnen ze evolueren naar ‘consumer-run’. Interessante onderzoeksvragen zijn onder andere: hoe kan de stap naar ‘consumer-run’ gezet worden; wat verstaan bezoekers en/of hulpverleners onder ‘professionelen’ in een aanloophuis; … . De vraag is of we dan nog kunnen/moeten spreken over ‘professionelen’. Verder onderzoek is vereist om duidelijkheid te scheppen.

 

Tot slot willen we opmerken dat Poco Loco voor veel bezoekers een belangrijke plek is om heen te gaan en waar je onder de mensen kan vertoeven met weinig kans op het ervaren van een stigma. Het is bovenal een plek waar mensen zichzelf kunnen zijn.


6        Referenties

Gerefereerde bronnen

 

Aelvoet, M., & Vandenbroucke, F. (2001). De psyche: mij een zorg? Beleidsnota voor geestelijke gezondheidszorg. Brussel: Federaal Ministerie van Volksgezondheid, Consumentenzaken en Leefmilieu.

 

Anthony, W.A. (1993). Recovery from mental illness: the guided vision of the mental health service system in the 1990s. Psychosocial Rehabilitation Journal, 16 (4), 11-23.

 

Baart, A., & Steketee, M. (2003). Wat aandachtige nabijheid vermag. Over professionaliteit en present-zijn in complexe situaties. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

 

Bentley, K. (2000). Empowering our own: peer leadership training for a drop-in center. Psychiatric Rehabilitation Journal, 24 (2), 174-178.

 

Beresford, P. (2001). Service users, social policy and the future of welfare. Critical Social Policy, 21 (4), 494-512.

 

Beresford, P., & Wilson, A. (2002). Genes Spell Danger: mental health service users/survivors, bioethics and control. Disability & Society, 17 (5), 541-553.

 

Blundo, R. (2004). Shifting our habits of mind: learning to practice from a strengths perspective. In: Saleeby, D. (Ed.). The Strengths perspective in social work practice (4th edition). Boston: Pearson Education Inc..

 

Boevink, W. (1997). Over leven na de psychiatrie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 52 (3), 232-240.

 

Bogdan, R., & Biklen, S.K. (1998). Qualitative Research for Education. An introduction to theory and methods. Boston: Allyn and Bacon.

 

Bond, G.R. (1994). The Role of Drop-In Centers in Mental Health Services. Innovations and research, 3 (1), 46-47.

 

Borg, M., & Kristiansen, K. (2004). Recovery-oriented professionals: Helping relationships in mental health services. Journal of Mental Health, 13 (5), 493-505.

 

Chamberlin, J., Rogers, E.S., & Ellison, M.L. (1996). Self-help progams : A description of their characteristics and their members. Psychiatric Rehabilitation Journal, 19 (3), 34-42.

 

Chamberlin, J. (1997). A working definition of empowerment. Psychiatric Rehabilitation Journal, 20 (4), 43-46.

 

Chamberlin, J. (1998). Speaking Out. Citizenship Rights and Psychiatric Disability. Psychiatric Rehabilitation Journal, 21 (4), 405-408.

 

Corrigan, P.W. (2004). Don’t call me nuts: an international perspective on the stigma of mental illness. Acta Psychiatrica Scandinavica, 109, 403-404.

 

Corrigan, P.W., Kerr, A., & Knudsen, L. (2005). The stigma of mental illness: Explanatory models and methods for change. Applied and Preventive Psychology, 11, 179-190.

 

Davidson, L., Lawless M.S., & Leary, F. (2005). Concepts of recovery: competing or complementary? Current Opinion in Psychiatry, 18, 664-667.

 

Deegan, P. (2003). Discovering recovery. Psychiatric Rehabilitation Journal, 26 (4), 368 – 376.

 

De Rick, K., Loosveldt, G., Van Audenhove, C., Lammertyn, F., van Weeghel, J., & Van Buggenhout, B. (2003). De vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg. Leuven: LUCAS.

 

Driessen, A., Tomassen, G., & Bosman, M. (1999). Maatjesprojecten. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (7/8), 753-758.

 

Dröes, J., & Van Weeghel, J. (1994). Perspectieven van psychiatrische rehabilitatie. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 49 (8), 795-810.

 

Farkas, M. (1996). Recovery, rehabilitation, reintegration: words vs. meaning. World Association for Psychological Rehabilitation Bulletin, 8 (4), 6-8.

 

Fossey, E., Harvey, C., McDermott, F., & Davidson, L. (2002). Understanding and evaluating qualitative research. Australian and New Zeeland Journal of Psychiatry, 36, 717-732.

 

Foucault, M. (1965). Madness and Civilisation. New York: Random House.

 

Gaebel, W., Zäske, H., & Baumann, A.E. (2006). The relationship between mental illness severity and stigma. Acta Psychiatrica Scandinavica, 113 (suppl. 429), 41-45.

 

Gould, N. (2006). An inclusive approach to knowledge for mental health social work practice and policy. British Journal of Social Work, 36, 109-125.

 

Hartman, A. (1992). In Search of Subjugated Knowledge. Social Work, 37 (6), 483-485.

 

Holter, M., & Mowbray, C. (2005). Consumer-run drop-in centers: program operations and costs. Psychiatric Rehabilitation Journal, 28 (4), 323-331.

 

Kal, D. (2002). Kwartiermaken. Werken aan ruimte voor mensen met een psychiatrische achtergrond. Amsterdam: Boom.


Kilian, R., Lindenbach, I., Löbig U., Uhle, M., & Angermeyer, M.C. (2001). Self-perceived social integration and the use of day centers of persons with severe and persistent schizophrenia living in the community: a qualitative analysis. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 36, 545-552.

 

Kretzman, J., & McKnight, J. (1993). Building communities from the inside out: a path toward finding and mobilizing a community’s assets. Chicago: ACTA Publications.

 

Kristiansen, K. (2005a). Owners of chemistry, hope and evidence. In: Gustavsson, A., Sandvin, J., Traustadóttir, R., Tossebro, J. (Eds.) Resistance, Reflection and Change. Nordic Disability Research. Lund: Studentlitteratur.

 

Kwee, H., & Passavanti, E. (1999). Een cliëntgestuurd dagactiviteitencentrum. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (7/8), 771-776.

 

Kwekkeboom, R. (2004). De waarde van vermaatschappelijking. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 59 (6), 500-509.

 

Maingay, S., Thornicroft, G., Huxley, P., Jenkins, R., & Szmukler, G. (2002). Mental health and human rights: the MI Principles – turning rhetoric into action. International Review of Psychiatry, 14, 19-25.

 

Manning, S. (2000). The CHARG experience with consumer-professional partnership. Psychiatric Rehabilitation Journal, 24 (2), 125-134.

 

Marshall, M.N., & Powell, R.A. (1996). ‘Quality and quantity’: qualitative approaches to mental health research. Journal of Mental Health, 5, 433-435.

 

McLean, A. (1995). Empowerment and the psychiatric consumer/ex-patient movement in the United States: contradictions, crisis and change. Social Science & Medicine, 40 (8), 1053-1071.

 

Meek, C.M. (1994). Consumer-run Drop-in Centers as Alternatives to Mental Health System Services. Innovations and research, 3 (1), 49-51.

 

Mennes, B. (1999). Gearrangeerde vriendschap. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (7/8), 759-764.

 

Mertens, E. (2004). Participatie en betrokkenheid in een ontmoetingshuis voor patiënten met ernstige en langdurige psychische problemen. Onuitgegeven licentiaatsthesis, K.U.Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen.

 

Michon, H., & Kroon, H. (2002). In de samenleving en ernstige psychische problematiek: op zoek naar één getal. Notitie voor de ‘Taskforce Vermaatschappelijking’. Utrecht: Trimbos Instituut.

 

Mowbray, C.T., & Tan, C. (1992). Evaluation of an Innovative Consumer-Run Service Model: The Drop-in Center, Innovations and research, 1 (2), 19-24.

 

Mowbray, C.T., Robinson, E., & Holter, M. (2002). Consumer drop-in centers: operations, services, and consumer involvement. Health & Social Work, 27 (4), 248-261.

 

Mowbray, C.T., Holter, M., Mowbray, O., & Bybee, D. (2005). Consumer-run drop-in centers and clubhouses: comparisons of services and resources in a statewide sample. Psychological Services, 2 (1), 54-64.

 

Munetz, M.R., & Frese, F.J. (2001). Getting ready for recovery: reconciling mandatory treatment with the reovery vision. Psychiatric Rehabilitation Journal, 25 (1), 35-42.

 

Murray, J. (1998). Qualitative methods. International Review of Psychiatry, 10, 312-316.

 

Nelson, G., Lord, J., & Ochocka, J. (2001). Empowerment and mental health in community: narratives of psychiatric consumer/survivors. Journal of Community & Applied Social Psychology, 11, 125-142.

 

Onderwater, K. (1996). Psychiatrie en samenleving. Schakel tussen psychiatrie en samenleving. Sociale Psychiatrie, 43, 13-23.

 

Oudman, P. (1999). Een cliëntgestuurd informatie- en inloopcentrum. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (7/8), 777-781.

 

Parr, H. (2000). Interpreting the ‘hidden social geographies’ of mental health: ethnographies of inclusion and exclusion in semi-institutional places. Health & Place, 6, 225-237.

 

Pease, B. (2002). Rethinking empowerment: a postmodern reappraisal for emancipatory practice. Sociale Interventie, 11 (3), 29-37.

 

Roets, G., Ramboer, I., Verstraeten, M., Vanderplasschen, W., De Maagd, M., & Van Hove, G. (2005). Op zoek naar werk met mensen met psychische problemen. Verslag van een vooronderzoek in de provincie Oost-Vlaanderen. Gent: Orthopedagogische Reeks Gent (nr 22).

 

Rogers, E.S., Chamberlin, J., Ellison, M.L., & Crean, T. (1997). A consumer-constructed scale to measure empowerment among users of mental health services. Psychiatric Services, 48 (8), 1042-1047.

 

Rüsch, N., Angermeyer, M.C., & Corrigan, P.W. (2005). Mental illness stigma: Concepts, consequences, and initiatives to reduce stigma. European Psychiatry, 20, 529-539.

 

Saleeby, D. (2004). Power in the People. In: Saleeby, D. (Ed.). The Strengths perspective in social work practice (4th edition). Boston: Pearson Education Inc..

 

Schoorl, P.M., van den Bergh, P.M., & Ruijssenaars A.J.J.M. (2000). Inleiding in de theoretische orthopedagogiek. Hulpverlenen bij opvoeden. Leuven – Apeldoorn: Garant.

 

Secker, J., Membrey, H., Grove, B., & Seebohm, P. (2002). Recovering from illness or recovering your life? Implications of clinical versus social models of recovery from mental health problems for employment support services. Disability & Society, 17 (4), 403-418.

 

Segal, S.P., Silverman, C., & Temkin, T. (1994). Issues in Self Help Agency Research. Innovations and research, 3 (1), 47-49.

 

Van Erp, N., & Geelen, K. (1997). Georganiseerde vriendschap. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 52 (9), 823-832.

 

Van Haaster, H., Jacobs, H., Knooren, J., Van Poppel, W., & Wesenbeek, C. (1999). Ontwikkeling van ervaringsdeskundigheid. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (7/8), 788-795.

 

Van Hoof, F., Geelen, K., Van Rooijen, S., Van Weeghel, J., Boevink, W., & Kroon, H. (2004). Meedoen. Maatschappelijke ondersteuning van mensen met psychische handicaps. Monitorrapportage vermaatschappelijking. Utrecht: Trimbos –instituut.

 

Van Hoof, F., Ketelaars, D., & Van Weeghel, J. (1999). Bezoekers bezocht. Achtergronden en dagbesteding van de bezoekers van dagactiviteitencentra. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (2), 136-149.

 

Van Hove, G., & Roets, G. (2000). ‘Empowerment’ en volwassenen met een verstandelijke beperking. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 39 (12), 41-52.

 

Van Weeghel, J. (2004). Assertive Community Treatment en rehabilitatie. Jubileumcongres NVSPV.

 

Van Weeghel, J., & Dröes, J. (1999). Problemen in perspectief. Herstelgerichte zorg in maatschappelijke steunsystemen. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 54 (2), 150-165.

 

Van Weeghel, J., Van Audenhove, C., Colucci, M., Garanis-Papadatos, T., Liégois, A., McCulloch, A., Muijen, M., Norcio, B., Ploumbidis, D., & Bauduin, D. (2005). The components of good community care for people with severe mental illnesses: views of stakeholders in five european countries. Psychiatric Rehabilitation Journal, 28 (3), 274-281.

 

Vervotte, I. (2004). Beleidsnota 2004 – 2009. Vlaams ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

 

Waterschoot, A., De Neef, I., & Loncke, S. (n.d.). Poco Loco, een prettig gestoord oord. Gent: Poco Loco.

 

WHO, Europe (2005). Mental health: facing the challenges, building solutions. Copenhagen: WHO Regional Office for Europe.

 

Wilson, A., & Beresford, P. (2002). Madness, Distress and Postmodernity: Putting the Record Straight. 143-158, in: Corker, M., Shakespeare, T. (Eds.) Disability/Postmodernity. Embodying Disability Theory. London/New York: Continuum.

 

Withley, R., & Crawford, M. (2005). Qualitative research in Psychiatry. Canadian Journal of Psychiatry, 50, 108-114.

 

Zeldenrust, W., & Van Zuthem, J.W. (1996). Dagbesteding en arbeidsrehabilitatie in de geestelijke gezondheidszorg. Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 51 (1), 3-17.

 

 

Elektronische bronnen

 

Aanloophuis Poco Loco, (n.d.). Geraadpleegd op 23 oktober 2005, van
https://www.aanloophuispocoloco.be .

 

De Loft, (n.d.). Geraadpleegd op 23 oktober 2005, van http://users.skynet.be/oase/loft.html .

 

De Moester (n.d.). Geraadpleegd op 14 maart 2006, van http://users.telenet.be/Moester/ .

 

De ZigZag (n.d.). Geraadpleegd op 23 oktober 2005, van http://www.similes.org/nl/Zigzag.pdf . 

 

Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (1950), Geraadpleegd op 30 april 2006, van http://users.skynet.be/historia/EVRM.htm .

 

Foucault Tribunal (1998). Geraadpleegd op 26 april 2006, van http://www.foucault.de/ .

 

Metawonen vzw (n.d.). Geraadpleegd op 24 april 2006, van http://jeugd.studiant.be/metawonen/.

 

Principles for the protection of persons with mental illness and the improvement of mental health care (1991). Geraadpleegd op 30 april 2006, van http://www.ohchr.org/english/law/principles.htm .

 

Soiree Deluxe (n.d.), Geraadpleegd op 15 mei 2006, van http://www.victoriadeluxe.be/agenda/soiree/ .

 

Uilenspiegel (n.d.), Geraadpleegd op 15 mei 2006, van http://www.geestelijke-gezondheid.be/gg1.html .

 

Universal Declaration of Human Rights (1948). Geraadpleegd op 30 april 2006, van http://daccessdds.un.org/doc/RESOLUTION/GEN/NR0/043/88/IMG/NR004388.pdf?OpenElement .


Geraadpleegde bronnen

 

Allen, J.G., & Haslam-Hopwood, G.T.G. (2005). Commentary on “Constituting Community: creating a place for oneself”. The value of social contacts. Psychiatry, 68 (3), 214-219.

 

Angermeyer, M.C., Matschinger, H., & Riedel-Heller, S.G. (1999). Whom to ask for help in case of a mental disorder? Preferences of the lay public. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 34, 202-210.

 

Baarda, D.B., De Goede, M.P.M., & Teunissen, J. (2001). Hoe registreer en analyseer ik mijn gegevens? In: Baarda, D.B., De Goede, M.P.M., Teunissen, J., Kwalitatief Onderzoek. Wolters-Noordhoff, Groningen, 167-198.

 

Beresford, P. (2000). What Have Madness and Psychiatric System Survivors Got to Do with Disability and Disability Studies. Disability & Society, 15 (1), 167-172.

 

Becker, T., & Kilian, R. (2006). Psychiatric services for people with severe mental illness across western Europe: what can be generalized from current knowledge about differences in provision, costs and outcomes of mental health care? Acta Psychiatrica Scandinavica, 113 (Suppl. 429), 9-16.

 

Broekaert, E., De Fever, F., Schoorl, P., Van Hove, G., & Wuyts, B. (1997). Orthopedagogiek en maatschappij. Vragen en visies. Leuven – Apeldoorn: Garant.

 

Bruce, J., Watson, D., Van Teijlingen, E.R., Lawton, K., Watson, M.S., & Palin, A.N. (1999). Dedicated psychiatric care within general practice: health outcome and service providers’ views. 29 (5), 1060-1067.

 

Butcher, A., (2000). The relative irrelevance of human rights for the care and protection of the mentally ill, Australian Journal of Political Science, 35, 1, 85-97.

 

Carey, A.C. (2003). Beyond the Medical Model: a reconsideration of ‘feeblemindedness’, citizenship, and eugenic restrictions. Disability & Society, 18 (4), 411-430.

 

Chamberlin, J. (1998). Confessions of a Noncompliant Patient. Journal of Psychosocial Nursing, 36 (4), 49-52.

 

Davidson, L., Shahar, G., Stayner, D.A., Chinman, M.J., Rakfeldt, J., & Kraemer Tebes, J. (2004). Supported socialization for people with psychiatric disabilities: lessons from a randomized controlled trial. Journal of Community Psychology, 32 (4), 453-477.

 

Goodley, D., Lawthom, R., Clough, P., & Moore, M. (2004). Researching Life Stories. Method, theory and analyses in a biographical age. London/New York: RoutledgeFalmer.

 

Hansson, L., & Björkman, T. (2005). Empowerment in people with  a mental illness: reliability and validity of the Swedish version of an empowerment scale. Scandinavian Journal of Caring Sciences, 19, 32-38.

 

Hostick, T., & Newell, R. (2004). Concordance with community mental health appointments: service users’ reasons for discontinuation. Journal of Clinical Nursing, 13, 895-902.

 

Johnson, D.L. (1994). Drop-in Centers are a Great Idea, but do they Work? Innovations and research, 3 (1), 43-44.

 

Kingdon, D., Jones, R., & Lönnqvist, J. (2004). Protecting the human rights of people with mental disorder: new recommendations emerging from the Council of Europe, British Journal of Psychiatry, 185, 277-279.

 

Lewis, B. (2000). Psychiatry and Postmodern Theory. Journal of Medical Humanities, 21 (2), 71-84.

 

McCubbin, M. (2001). Introduction. Pathways to Health, Illness and Well-Being: From the Perspective of Power and Control. Journal of Community & Applied Social Psychology, 11, 75-81.

 

Niveau, G., (2004). Preventing human rights abuses in psychiatric establishments: the work of the CPT, European Psychiatry, 19, 146-154.

 

Roberts, M. (2005). The production of the psychiatric subject: power, knowledge and Michel Foucault. Nursing Philosophy, 6, 33-42.

 

Rogers, E.S. (1994). The impact of the Americans With Disabilities Act Upon Rehabilitation Research. Journal of Disability Policy Studies, 5 (2), 25-43.

 

Schröder, A., Ahlström, G., & Larsson, B.W. (2006). Patients’ perceptions of the concept of the quality of care in the psychiatric setting: a phenomegraphic study. Journal of Clinical Nursing, 15, 93-102.

 

Swildens, W.E., Van Keijzerswaard, A.J., Van Wel, T.F., De Valk, G.J.J., & Valenkamp, M.W. (2003). Individuele rehabilitatie voor chronische psychiatrische patiënten: een open onderzoek. Tijdschrift voor Psychiatry, 45 (1), 15-25.

 

Talbot, J.A., (2006). The chronic psychiatric patient: problems, promises and perspectives, past, present and future. Acta Psychiatrica Scandinavica, 113 (Suppl. 429), 101-108.

 

Valadez, A.A., Lumadue, C., Gutierrez, B., & De Vries-Kell, S. (2006). Las Comadres and adult day centers : the perceived impact of socialization on mental wellness. Journal of Aging Studies, 20, 39-53.

 

Vandereycken, W. (2000). Psychopathologie: van diagnostiek tot therapie. In: Vandereycken, Hoogduin & Emmelkamp (Eds.). Handboek psychopathologie: Deel 1 basisbegrippen. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 3-20.

 

Van der Zee, F. (2005). Het onderscheid tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek ik gradueel. Kwalon, 10 (2), 6-16.

 

Van Manen, M. (2005). Fenomenologie: een kwalitatieve stroming met een verscheidenheid aan tradities. Kwalon, 10 (1), 30-36.

 

Wallerstein, N. (2006). What is the evidence on effectiveness of empowerment to improve health? Copenhagen: WHO Regional Office for Europe. 

 

Wester, F. (2005). De methodenparagraaf in rapportages over kwalitatief onderzoek. Kwalon, 10 (3), 8-14.

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlagen

 

 


Bijlage 1

 

De Loft[15]

De Loft is een activiteitencentrum waar mensen met een ernstige psychosociale problematiek een zinvolle dagbesteding aangeboden krijgen, op ieders maat en met inspraak en participatie van alle betrokkenen.

Deelnemen is gratis, gebeurt op vrijwillige basis en hoeft niet prestatiegericht te zijn. Er wordt wel een kleine bijdrage gevraagd voor koffie en frisdrank.

Naast een zinvolle dagbesteding is er gelegenheid om anderen te ontmoeten in een gezellige omgeving.

Het dagactiviteitencentrum is niet bedoeld als een einddoel voor de deelnemers maar eerder als tussenstap. Er wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke graad van integratie en zelfstandigheid binnen de maatschappij.

 

De Zigzag[16]

Zigzag wil een huis voor ontmoeting zijn in de geestelijke gezondheidszorg. Ze richten zich tot cliënten en ex-cliënten in de geestelijke gezondheidszorg en tot hun betrokkenen. De mogelijkheid om elkaar in een aangename sfeer te ontmoeten en nieuwe contacten te leggen vormt de essentie van Zigzag.

 

Naast het (alcoholvrije) praatcafé dat vijf maal per week zijn deuren opent, worden er nog tal van activiteiten georganiseerd op het vlak van vrijetijdsbesteding en vorming. Er wordt een gezond evenwicht gezocht tussen het organiseren van eigen activiteiten binnenshuis en het vinden van aansluiting bij activiteiten en initiatieven in de samenleving. Cruciaal hierbij is dat zoveel mogelijk activiteiten door de klanten zelf georganiseerd worden, weliswaar met ondersteuning van de professionele begeleiders.

 

De Moester[17]

De Moester is door de vzw Hand in Hand opgericht in 1995 als een dagactiviteitencentrum van het samenwerkingsverband IPSO-Gent. Het doel is aan psychisch kwetsbare mensen een zinvolle dagbesteding te bieden.

 

In de eerste plaats staat de ontmoeting centraal: mensen kunnen elkaar ontmoeten bij een kop koffie voor een babbel. Het laagdrempelig karakter bestaat er in, dat mensen vrijblijvend in en uit kunnen lopen. Er worden contacten gelegd, afspraken gemaakt, uitstappen of reizen voorbereid… .

 

Voor wie een nuttige bezigheid zoekt is er de keuze uit tal van activiteiten, zoals de groentetuin en de serre, verzorging van de dieren, de bakkerij, administratief werk, de keuken, het ontvangen en rondleiden van groepen bezoekers, creatief bezig zijn met muziek, klei, schilderswerk, enz.


Bijlage 2

 

 

In dit kwadrantenschema plaatst Gould (2006, p 115) onderzoeksvragen in zijn kader over kennis.

 

 

 

 

General

 
 

 

 

 

 

                        Organizational and policy                                              What social conditions are

                        approaches to effective                                     associated with problems of

                        services?                                                         users, carers and communities?

 

 

 

 

Meaning                                                                                Measurement

(qualitative)                                                                                                (quantitative)

 

 

 

 

                        What are the experiences                                              Which interventions are

                        and meanings produced by                                effective for users and carers?

                        users and workers?

 

 

 

 

Individual

 

 

Figure 2 Allocation of questions to the framework for knowledge


Bijlage 3

 

De vragen zoals gesteld tijdens de interviews.

 

§         Hoe zou jij de ‘doelgroep’ van mijn scriptie omschrijven?

§         Waarom kom je naar Poco Loco?

§         Hoe ben je ertoe gekomen?

 

§         Wat doet Poco Loco voor jou?

§         Wat doe jij voor Poco Loco?

§         Wat vind je goed, leuk aan Poco Loco?

§         Wat vind je niet goed, leuk aan Poco Loco?

§         Wat vind je van de activiteiten op Poco Loco?

§         Wat moet er meer gebeuren op Poco Loco?

 

§         Wat is voor jou een vrijwilliger bij Poco Loco?

§         Waarom zou je iemand aanraden naar Poco Loco te komen?

§         Ken je nog initiatieven zoals dit? Welke?

§         Ga je naar soortgelijke initiatieven? Welke?

§         Hoe goed is Poco Loco gekend in je omgeving / Hoe goed denk jij dat Poco Loco gekend is?

§         Welk beeld denk je dat mensen hebben van Poco Loco?

§         Wat zou je doen als Poco Loco moet sluiten?

 

§         Hoe voel jij je hier als mens?

§         Wat kan je verwachten van de begeleiding van Poco Loco?

§         Welke positie neemt begeleiding hier op zich?

§         Is Poco Loco voor jou op het goede moment in je leven gekomen? Waarom?

§         Wat zijn je andere bezigheden, naast Poco Loco?

 

§         Wat herken je van ‘gastvrijheid’ in Poco Loco?

§         Wat herken je van ‘vriendschap’ in Poco Loco?

 

§         Wie mag er volgens jou naar Poco Loco komen? / Wat vind je van de mensen die naar Poco Loco komen? / Mag dit blijven of zou hier graag enige verandering in hebben?

 

§         Wat betekent een aanloophuis voor jou?

 

§         Hoe heb jij deze bevraging ervaren?

§         Wat vind je van het verspreiden van jouw ervaringen (en die van de andere mensen)?

 

 

 


Bijlage 4

 

Gent, 15 november 2005.

 

 

 

 

 

Beste bezoeker van Poco Loco

 

 

Ik ben Tom Van Hoey en bezoek sinds september Poco Loco. Ik zou met deze brief willen vragen of u wil meewerken aan mijn onderzoek “Poco Loco: een aanloophuis”.

 

Ik ben student uit het laatste jaar Orthopedagogiek van de Universiteit van Gent en doe dit onderzoek voor mijn thesis.

 

Het is de bedoeling samen met u op zoek te gaan naar de betekenis van Poco Loco voor zijn bezoekers en uw persoonlijke ervaringen met Poco Loco.

Ik geloof erin dat mensen kunnen leren uit uw ervaringen.

 

Ik zou graag samen met u een gesprek hebben hierover en denk dat dit ongeveer een uurtje kan duren. Dit gesprek wordt anoniem verwerkt.

 

Als u wil meewerken, dan spreken we samen af waar en wanneer dit kan doorgaan. We kunnen onder andere in Poco Loco zelf afspreken en kunnen rustig praten in het videolokaaltje. Na het gesprek zou ik alles uittypen en aan u terugbezorgen. Zo kan u ons gesprek nalezen.

 

Op dinsdag en woensdag spring ik meestal eens binnen in Poco Loco, maar ik kan ook op andere momenten afspreken. Aan het prikbord hangt een lijst waar u uw naam kan opgeven als u wil meewerken. Uw telefoonnummer mag u ook opgeven, om gemakkelijk te kunnen afspreken. Aangezien ik niet alle gesprekken tegelijk kan doen, kunnen deze doorgaan tussen eind november en eind februari.

 

 

Alvast bedankt.

 

 

Vriendelijke groeten,

 

 

Tom Van Hoey

0486/258542

tomvanhoey@hotmail.com

 


Bijlage 5

 

Hier geven respondenten hun mening over deelname aan het onderzoek.

 

Hoe heb jij deze bevraging ervaren?

 

“Leerrijk, door de vragen die je stelt. Voor mij is dat ook een beetje dieper nadenken over zaken hier binnen Poco Loco.” (F)

 

“Het is de eerste keer dat ik dit doe en ik vind het goed. Ik heb eindelijk eens ongestoord kunnen zeggen wat ik altijd al eens wilde zeggen. Ik denk dat ik alles heb kunnen bespreken wat je kan bespreken over Poco Loco. Omdat ik hier ook al zolang ben, geeft dat wel een goed gevoel. Ik denk dat ik ook vrij goed geplaatst ben om hierover te vertellen.” (Fr)

 

“Op een goede manier. Op een ongestresseerde manier. Op het gemak. Relaxed.

Het is mondeling en niet schriftelijk. Normaal zou je op hetzelfde antwoord moeten komen, maar er is een groot verschil. Mondeling is meer op het gemak en ik ga daar meer bij nadenken. Ik vind dit de beste manier; er komt meer uit. Op papier is het precies een examen dat je gaat maken.” (Kr)

 

“Goed en verhelderend. Ik heb nu mijn verhaal eens kunnen doen en dat doet deugd het eens kwijt te kunnen. Ik denk dat in andere aanloophuizen nog mensen moeten zijn die zich niet willen neerleggen bij hun situatie en niet willen blijven steken. Ik vind het daarom ook goed dat je ook mijn verhaal hoort.” (M)

 

“Dat is ook te zien hoe dat dit gaat verwerkt worden. Ik hoop dat je het zo waarheidsgetrouw mogelijk doet.” (P)

 

Wat vind je van het verspreiden van jouw ervaringen (en die van de andere mensen)?

 

“Dat vind ik heel goed. We hebben al minder mogelijkheden om met onze ervaringen naar buiten te komen. Ik vind het heel positief dat er mensen zijn die inspanningen leveren om dit naar buiten te brengen. Het moet ook kunnen dat ervaringen van zieke mensen, of minder begaafde mensen, of – zoals ze in de maatschappij zeggen – ‘sociale gevallen’, eens extra in de verf zetten en hopelijk ook eens rekening met wordt gehouden. Naar luisteren en in de mate van het mogelijke iets mee doen.” (F)

 

“Dat is heel positief en zo leren anderen pas werkelijk kennen wie we zijn en wat we denken. Mensen kunnen eruit leren dat we hier ook tijdelijk kunnen zijn; dat we niet vastzitten en dat er wel degelijk groei is. Hier zijn ook blijvers. Alles is hier mogelijk.” (Fr)

 

“Jaja, ik help mee hé om te psychiatrie verstaanbaar te maken naar de buitenwereld toe (lacht hartelijk). Er zou meer geluisterd moeten worden naar ons. Een gespreksavond of zo. Ook met de mensen uit onze omgeving en voor familieleden. Maar veel mensen vinden dat te moeilijk. Hoe wij onze wereld ervaren. Gisteren zei mijn huisarts nog dat ik anders denk … maar ik weet niet hoe anderen denken. Wat is anders?” (L)


[4] http://www.foucault.de/ op 29 april 2006

[5] Het onderzoek van De Rick et al. (2003) is vanuit LUCAS en het onderzoek van Van Hoof et al. (2004) is vanuit het TRIMBOS -instituut.

[6] DAC’s staat voor dagactiviteitencentra en zijn in het leven geroepen om tegemoet te komen aan de ‘behoefte aan dagbesteding’ van mensen. Ze bieden ontmoetingsmogelijkheden, zinvolle dagactiviteiten en een opstap naar meer reguliere vormen van dagbesteding (of werk) (Van Hoof et al, 1999).

[8] Deze partners en de Provincie Oost-Vlaanderen vormen het ‘Functioneel samenwerkingsverbond’. Het gaat over N.P.K. Sint-Camillus, P.C. Sint Jan de Deo, P.C. Dr. Guislain, P.C. Caritas, P.C. Sleidinge, patiëntenvereniging Uilenspiegel, Similes, C.A.W. Artevelde, C.G.G.Z. Regio Groot Gent Eclips, Regionaal C.G.G.Z. Deinze-Gent-Eeklo, vzw Odysseus, vzw De Nieuwe Horizon, vzw Zagan, vzw Ipso-Gent, vzw Centrum Onderweg en vzw Metawonen.

[9] Poco Loco sluit om 17 uur op zaterdag.

[10] Soiree Deluxe is een initiatief van Victoria Deluxe, waarbij eten, culturele ontspanning en ontmoeting centraal staan. Zie ook http://www.victoriadeluxe.be/agenda/soiree/ .

[11] UilenSpiegel vzw is een vereniging voor mensen die als gebruiker, cliënt, patiënt te maken hebben (gehad) met de Geestelijke Gezondheidszorg. http://www.geestelijke-gezondheid.be/gg1.html

[12] DAC’s (dagactiviteitencentra) in Nederland zijn vergelijkbaar met aanloophuizen. Ze richten zich vaak vooral op ontmoeting en dagbesteding. Een aanloophuis mag echter niet verward worden met dagcentra, waarbij vaak wordt verwacht dat mensen op vaste tijdstippen aan vaste activiteiten deelnemen, die worden aangeboden en verzorgd door professionelen.

[13] In het artikel spreken ze over ‘self-help programs’ omdat de initiatieven volledig in handen zijn van ervaringsdeskundigen. Sommige fungeren als professioneel en worden bijgevolg ook betaald.